Westen nu echt op jacht voor tribunaal

Met de aanhouding van de Bosnisch-Servische leider Krajišnik laat nu ook Frankrijk zien dat het werkelijk met het Joegoslavië-tribunaal samenwerkt.

,,Het beste nieuws in vijf jaar'', jubelde de Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, Richard Holbrooke, gisteren na de arrestatie van de Bosnisch-Servische leider Momcilo Krajišnik, verdachte van genocide en andere oorlogsmisdaden in Bosnië. Holbrooke keek als architect van het vredesakkoord in Bosnië de afgelopen jaren knarsentandend toe hoe de NAVO slechts mondjesmaat wat kleinere oorlogsmisdadigers in Bosnië aanhield.

Na jaren van aarzelend optreden heeft de internationale gemeenschap gisteren voor het eerst een echte hoofdrolspeler van de oorlog in Bosnië aangehouden. Krajišnik, die wel vermoedde, maar niet zeker wist dat het tribunaal hem zocht, werd zondagnacht in pyjama afgevoerd uit het huis van zijn ouders.

Krajišnik was tijdens de Bosnische oorlog de tweede man achter `president' Karadzic en ná de oorlog degene die de uitvoering van het Dayton-akkoord het meest actief tegenwerkte. Al vrij snel na de totstandkoming van Dayton in november 1995 bleek dat de door de NAVO geleide vredesmachten IFOR en SFOR zich onthielden van een actieve jacht op oorlogsmisdadigers. Het Westen veranderde dat beleid in de zomer van 1997.

Zo was voor de Amerikaanse regering de arrestatie van Karadzic en medehoofdverdachte generaal Ratko Mladic aanvankelijk geen thema. Washington verwaarloosde het tribunaal, terwijl de door de NAVO geleide vredesmacht IFOR, later SFOR, zich verschool achter het excuus dat zij ,,geen mandaat'' had voor actieve opsporing. Het in 1993 opgerichte Joegoslavië-tribunaal leek een papieren tijger, een façade waarachter de grote landen hun onwil maskeerden om de hoofdverdachten uit Bosnië naar Den Haag te brengen.

De Amerikaanse regering herzag medio 1997 haar Bosnië-beleid en oordeelde dat het tribunaal ,,een integraal onderdeel van het Dayton-proces'' werd. De Amerikanen openden de jacht op oorlogsmisdadigers, zij het voorzichtiger dan de Britten die onder leiding van Labour eveneens een actiever beleid voorstonden. Het waren Britse troepen die in juli 1997 de eerste grote actie ondernamen. De Servische politiechef Simo Drljaca werd tijdens een barbecue doodgeschoten en zijn medestander, dokter Milan Kovacevic, naar Den Haag afgevoerd.

De celblokken van het tribunaal liepen sinds 1997 langzaam vol. Inmiddels zijn er 39 verdachten in detentie. Het budget van het tribunaal groeide van 11 miljoen dollar (1994) naar 94 miljoen dollar (1999), en het aantal rechtzalen steeg van één naar drie. Rechters waarschuwen voor het gevaar dat het tribunaal `dichtslibt' door de lange procedures en de veelheid van rechtzaken.

Wat de afgelopen jaren nog restte in het internationale optreden, was een actieve deelname van Frankrijk. Franse troepen beheersen de oostelijke sector van Bosnië, waaronder het skidorp Pale, het hoofdkwartier van de Bosnisch-Servische nationalisten. De in 1995 teruggetreden Karadzic, verdacht van genocide, woonde daar in zijn chalet en reed elke dag met lijfwacht ongehinderd naar het fabrieksgebouw van waaruit hij samen met Krajišnik de Servische Republiek bestuurde. In het plaatsje Foca, tijdens de oorlog een soort verkrachtingskamp, bleek uit Amerikaanse televisiebeelden dat Franse troepen gemoedelijk koffie dronken in een café van een oorlogsmisdadiger.

Amerikaanse media beschuldigden het Franse leger er in 1998 van meer te doen dan passief gedogen. Binnen het Franse leger zou een sterke pro-Servische stroming bestaan. The Washington Post berichtte dat een Amerikaanse operatie om Karadzic te ontvoeren, doorkruist werd door de Franse kolonel Hervé Gourmelon. Deze voormalige VN-woordvoerder pendelde als officieus koerier tussen Karadzic en Frankrijk en zou de ontvoeringsplannen hebben doorgebriefd. Parijs ontkende, al werd niet verheeld dat Gourmelon ,,enigszins twijfelachtige contacten onderhield''.

De voormalige aanklager van tribunaal, Louise Arbour, zocht in 1997 de confrontatie met Parijs. Ze leverde openlijke kritiek op het gebrek aan Franse medewerking. De Franse minister van Defensie, Richard, veegde in februari in een gesprek met deze krant die kritiek van tafel: ,,Wij hebben sinds begin 1998 al vijf oorlogsmisdadigers aangehouden.'' Daarmee gaf hij indirect aan dat de Franse koers was veranderd. Want inderdaad werden in en rond Foca in dat jaar de ene na de andere oorlogsmisdadiger aangehouden, in één geval met dodelijke afloop. De Franse krant Le Figaro kopt vandaag: `Frankrijk gerehabiliteerd'. En het tribunaal is Frankrijk dankbaar.

Of de arrestatie van Karadzic en Mladic dichterbij is gekomen, is een andere vraag. Generaal Mladic woont in Belgrado, buiten bereik van de NAVO. Karadzic lijkt een gemakkelijkere prooi. De huidige aanklaagster Del Ponte zei een paar maanden geleden dat voor haar Karadzic de prioriteit voor dit jaar is. Op de vraag of dit ook voor hem gold, zei de Franse minister Richard: ,,Ik doe daar geen uitspraken over.'' En: ,,De verantwoordelijkheid berust niet alleen bij Frankrijk, dat is het enige wat ik erover kan zeggen.''

Voor het oppakken van hoofdverdachten, zoals Karadzic en Mladic, is een zware operatie nodig, en nauwe samenwerking tussen de Amerikanen, Britten en Fransen, de drijvende krachten achter SFOR. Dat het Westen nu bij de jacht op oorlogsmisdadigers uit Bosnië op één lijn zit, maakt die aanhoudingen wel waarschijnlijker.