Weerzien met de zweep

Birkhoven had me destijds geen slechte naam geleken voor het kamp Amersfoort. Die naam had iets sinisters, een bijklank die met onheil verbonden was, al had ik er geen idee van wat de oorzaak kon zijn. Ik heb Birkhoven lang geassocieerd met een godverlaten vlakte waar altijd een gure wind stond die je door merg en been ging, totdat ik er lang geleden eens een wedstrijd moest spelen. Het was mijn eerste bezoek aan Amersfoort en mijn eerste kennismaking met Birkhoven in de jaren van het nog armzalig betaalde voetbal. Het bleek een prachtig sportpark in een weelderig groene omgeving te zijn, het thuishonk van de club waartegen wij het moesten opnemen, HVC. De Amersfoortse club, sinds lang vergane glorie, bleek over een paradijselijke sportaccommodatie te beschikken. Een sportpark waar het gras groener was dan wij gewend waren en de lucht zuiverder dan bij ons in de stad. Van dat moment af was ik genezen van mijn zwarte gedachten over Birkhoven.

In twee Amersfoortse musea lopen op het ogenblik tentoonstellingen die zowel het sinistere verleden van het echte kamp als de grote momenten uit de historie van de Amersfoortse illegaliteit tot onderwerp hebben. Flehite, het stedelijk museum van Amersfoort aan de Westsingel, heeft een expositie gewijd aan de bezettingsgeschiedenis van Amersfoort en in het vlakbij gelegen ArmandoMuseum wordt werk getoond van Armando, die zich in allerlei kunstvormen door de oorlog en in het bijzonder door `het kamp' laat inspireren. De exposities hebben een onderlinge samenhang. Je kan de ene niet zien zonder de andere, al wordt de geschiedenis in het ene museum aan de hand van alledaagse ervaringen uitgebeeld en in het andere meer aan de hand van poëtische beelden.

Het bijzonderste voorwerp waarnaar ik langer gekeken heb dan ik mij had voorgenomen is `het zweepje' van Kotälla. Het is het lugubere relict uit een gruwelijke tijd, dat in de collectie van museum Flehite als het ware de omgekeerde waarde vertegenwoordigt van een krijgstrofee in een koloniaal museum. Voor een jonge museumconservator is zo'n zweepje niet meer dan een rekwisiet, dat de schooljeugd, voor wie de exposities in de eerste plaats bedoeld zijn, op een realistische manier de toenmalige werkelijkheid van het beruchte kamp laat zien. Het dagelijkse, met de rechterhand vergroeide machtsattribuut van de Duitse ondercommandant, een van de filiaalchefs van de bezettingsmacht, belast met de uitvoering van de disciplinering van de hem toegeworpen gestraften (politieke gevangenen).

Bij zijn arrestatie na de oorlog moest Kotälla van zijn zweep (het verkleinwoord zou het attribuut te weinig eer doen) afstand doen en is het door de Nederlandse justitie in beslag genomen en opgeborgen bij de processtukken, om vervolgens in het archief van de bijzondere rechtspleging te worden gedeponeerd. Op de bekende foto van weleer waarop de arrestatie van de Beul van Amersfoort was vastgelegd (of bij gelegenheid van zijn voorgeleiding, dat weet ik niet meer zeker) zag je dat de beruchte ondercommandant zonder zijn pet al een iel mannetje was, maar zonder zijn zweep helemaal niets voorstelde.

De jeugd die hier komt zal het ongetwijfeld een interessant voorwerp vinden, maar hoe zal iemand wiens rug er meer dan vijftig jaar geleden mee bewerkt is ernaar kijken? Die zal er wel andere gevoelens bij krijgen. Voor zo iemand is het stokje van Oldenbarnevelt (die ook uit Amersfoort kwam) leukere kost. Je zal maar met `het zweepje' van Kotälla in de `rozentuin' van het kamp Amersfoort zijn afgerost en het dan hier op een educatieve tentoonstelling, die je met je achterkleinzoon bezoekt, weer tegenkomen. Kijk, zie je daar dat zweepje liggen (overgrootvader wijst zijn achterkleinzoon een vitrine aan)? Daar werd opa dagelijks mee geslagen door meneer Kotälla.

Ik hoop voor het museum dat de meeste overgrootvaders die de tentoonstelling bezoeken, nooit het pad van Kotälla gekruist hebben. Mijn vader kende dat zweepje uit eigen ondervinding en heeft er later vrijwel nooit meer over willen praten. In Vestdijks dagboeknotities over zijn Amersfoortse kampervaringen, in de jaren zestig gepubliceerd in een speciaal nummer van Maatstaf) komen zweepje en rozentuin voor als symbolen van een schrikaanjagende onderwereld, waaraan de meeste kampgevangenen die `het zweepje' op hun rug hadden gevoeld, nadien nooit meer herinnerd wilden worden.

De paralleltentoonstelling in het ArmandoMuseum gaat vooral over het kamp Amersfoort in de jeugdige beleving van Armando, die als kind vlak bij het kamp woonde. Over zijn herinneringen aan die tijd heeft hij een prachtige roman geschreven (De straat en het struikgewas, BBLiterair, 1988, nadien talrijke herdrukken). De expositie in het ArmandoMuseum heet Geschiedenis van een plek, een titel die ontleend is aan de film die Armando in 1978 met Hans Verhagen en Hans Keller maakte en die hier opnieuw wordt vertoond. Ook het gelijknamige boek dat naar die film is gemaakt, is voor deze gelegenheid in een kleine oplage herdrukt.

De grote momenten van de Amersfoortse humaniteit komt men tegen in de geschiedenis die in Flehite van het Amersfoortse verzet wordt uitgebeeld. Sinds ik het dagboek van Jules Frank, gepubliceerd in J.L. Bloemhofs standaardwerk over de historie van Amersfoort in de Tweede Wereldoorlog, gelezen heb, begrijp ik niet alleen Armando's levenslange preoccupatie met het thema van de held, maar ook zijn passie voor Amersfoort beter. De 58-jarige religieus-joodse slager Frank, die de lotgevallen van joods Amersfoort in 1943 heeft beschreven, geeft een indrukwekkend beeld van de menselijkheid die de gewone niet-joodse Amersfoorters aan hun joodse stadgenoten bewijzen. Zolang het tenminste nog kan. Het is een minuscuul dagboekje, maar een document van groot gewicht.

    • Harry van Wijnen