Voordeeltje

Het huis is oud, maar we hebben handige kennissen. Onder hen bevindt zich iemand die kan stucen. Donderdag zal de klus worden geklaard. Ik krijg de opdracht negen zakken geelband in huis te halen en voldoende bier. Bij de bouwmarkt is het erg druk. Mijn karretje bezwijkt bijna onder de zakken. Voor de zekerheid heb ik er tien opgeladen. Aan de kassa zit een zaterdaghulp. Ik leg een van de zakken op de band. Door de drukte maakt ze een fout. Ze geeft me het bonnetje en zegt `Alstublieft, dat is ƒ18,50 mijnheer.' De moralist in mij is even afwezig, ze heeft die negen andere zakken niet gezien.

Thuis kan ik mijn enthousiasme over dit voordeeltje bijna niet de baas. Om zes uur komt mijn zelfstucende kennis. Kuipen, troffels, plakspanen en een mixer worden naar binnen gedragen. Hij gaat naar de garage om de zakken te halen. Als hij terugkomt, zegt hij dat ik het verkeerde heb gehaald: `Het moet roodband zijn, geen geelband. Ga ze maar omruilen, je hebt het bonnetje toch?'