Veertig jaar guerrillero in Miami

In Miami trainen anti-Castro-Cubanen al veertig jaar lang elke week voor de onvermijdelijke bevrijding van Cuba: rancuneus, emotioneel en vooral potsierlijk.

,,Ik ben de enige die altijd openlijk over wapens praat'', zegt Nazario Sarjén trots. Een oud gerimpeld mannetje in een smoezelig overhemd. Als een Cubaanse Don Quichot staat hij in zijn kantoor. Een donkere ruimte met gescheurde plastic stoelen en een oudbruine tikmachine. Maar de muren hangen vol indrukwekkende foto's van mannen met geweren.

Ze dragen camouflagepakken en spiegelbrillen. Ze kruipen onder rollen prikkeldraad door, of ploeteren met hun kalasjnikovs in een zompig moeras. ,,Dit was ons natte trainingskamp'', zegt Sarjén. ,,Maar daar zijn we weggestuurd.'' Van boven tot onder zijn de muren volgeplakt met steeds hetzelfde: mannen met wapens. Veel zijn nog in zwart-wit.

Al veertig jaar is Sarjén met zijn paramilitaire organisatie Alpha 66 bezig om Fidel Castro uit Cuba te jagen. Ondanks de wekelijkse militaire trainingskampen, de wapens, en de `geheime cellen' die hij beweert op Cuba te hebben, heeft Sarjén tot nu toe weinig succes gehad. Toch geeft de 80-jarige Sarjén de moed niet op. ,,Als het moment komt, slaan we toe. En dat moment kómt. Heeft u Fidel de laatste tijd gezien? Ik zie er op mijn leeftijd twintig jaar jonger uit dan hij.''

Zoals de meeste Cubanen in Miami praat ook Sarjén over president Castro in die vreemde mengeling van verheerlijking en rancune. ,,Ik ken hem hoor. Oh, ik ken Fidel zo goed.'' Sarjén duikt in de kast, en trekt met beverige vingers een foto tevoorschijn. ,,Herkent u me niet?'' Ja hoor, daar staat hij, vergeeld in zijn revolutionaire uniform. Samen met Che Guevara en een jonge Fidel op de foto. Want ook Sarjén was een comandante van de Cubaanse revolutie die in 1959 de rechtse dictator Batista verjoeg. ,,Alleen, ik ben altijd anticommunist geweest.''

Een jaar na de revolutie vluchtte Sarjén uit Cuba, met het doel Castro te verjagen. De mislukte Amerikaanse invasie in de Varkensbaai maakte hij niet actief mee, omdat hij toen in een Amerikaanse cel zat wegens `illegale emigratie naar de VS'.

Toen hij vrij kwam, richtte hij met 65 andere Cubanen het paramilitaire Alpha 66 op. ,,Het verschil tussen mij en de andere ballingenorganisaties is dat ik nooit met de CIA heb willen samenwerken'', zegt Sarjén. ,,Ik geloof dat de bevrijding van Cuba van de Cubanen moet komen. En ik wil tegen niemand dankjewel hoeven zeggen.''

Wat niet wegneemt dat hij in de jaren zeventig in de `anticommunistische liga' samenwerkte met Pinochet en de andere rechtse dictaturen van Latijns Amerika. ,,De Brazilianen wilden me een hele vracht wapens geven. Maar ze gaven er geen vliegtuig bij. Anders was ik in één klap doorgevlogen naar Cuba, en had ik Fidel door zijn kop geschoten.''

Rechts en onverzoenlijk. Maar vóór alles emotioneel, op het potsierlijke af. Dat is wat de radicale Cubaanse ballingenorganisaties in Miami typeert.

Ruim twee jaar geleden, met de dood van Mas Canoso, raakten de Cubaanse ballingen een van hun kleurrijkste leiders kwijt.

Mas Canoso was de leider van de machtige `Fundación Nacional Cubano Americana' (FNCA). Een organisatie waar ook president Clinton voor beeft. Zíj controleren de stemmen van de 800.000 Cubanen in Miami. Zíj zorgen dat Cuba nog steeds economisch wordt geblokkeerd.

Na de dood van Mas Canoso, en het bezoek van de paus aan Cuba, begon er een meer liberale wind door de Cubaanse gemeenschap te waaien. Groepen die pleitten voor een dialoog met de bevolking van Cuba kregen de overhand. Mensen die geloofden dat het opruimen van rancunes efficiënter is dan vasthouden aan de antieke haat. Maar door de zaak van Elián Gonzalez is de Pavlov-reactie op Fidel Castro weer helemaal terug. Toen Castro de terugkeer van Elián uitriep tot `nationale zaak', mobiliseerden de Cubanen in Miami zich om de terugkeer van Elián naar zijn vader op Cuba tot elke prijs te voorkomen.

,,Wat nou vader'', zegt Jorge Carbonal (60), lid van de FNCA van Mas Canoso. ,,In Cuba zijn geen vaders. Er is alleen Castro. En hij is de duivel. Een demonische gek waaraan je geen kind ter wereld uitlevert.'' Op het terras in 8th street in Little Havana is de discussie verhit. Een vrouw oppert voorzichtig dat het misschien `best leuk' voor Elián zou zijn als hij zijn vader zou zien. Onmiddellijk begint Carbonal te briesen. ,,Communist, infiltrant, je hoort niet in Amerika thuis!'' De vrouw probeert iets te stamelen. Maar Carbonal brult door. ,,Ga terug naar Fidel!'' Dan strijkt hij zijn snor glad en zegt tegen de omstanders: ,,Zorg dat ze verdwijnt. Dit is een spion van Castro.''

De vrouw wordt met zachte drang afgevoerd. ,,Castro is de grootste moordenaar van deze aarde'', herneemt Carbonal zijn betoog. ,,Erger dan Hitler.'' Waarom? ,,Daarom. Omdat hij 600.000 mensen heeft vermoord.'' Hoeveel? ,,Nou ja, 5.000 dan.'' Echt waar? ,,Heel veel in elk geval.'' De omstanders knikken. Opnieuw komt Carbonal ertussen: ,,Maar wij zijn het ook die Fidel in het zadel houden.'' Het geld dat de Cubanen uit Miami naar hun familie op Cuba sturen is hem een doorn in het oog. ,,Daarmee houdt Castro zijn tirannie in stand.'' Zelf stuurt hij geen geld naar zijn familie. ,,Ze zijn daar gebleven, dus ze zoeken het maar uit.''

Dat wil niet zeggen dat hij niets dóét. ,,Zie je die man daar?'' Hij wijst naar iemand aan de andere kant van het terras. ,,Die heeft op Cuba voor de CIA ten minste zestig aanslagen gedaan.'' Nu ja, dat was vroeger, vóórdat de Amerikanen het in hun hoofd haalden dat je met Castro moet samenleven. Sámen-leven. Hoe bedenken ze het! Met een land zonder vrijheid, waar Fidel je nog vertelt hoe je je broek dicht moet doen. En Jorge Carbonal biedt me in zijn luchtgekoelde Mercedes een lift aan naar het huis van Elián.