Overstromingsgebied is overbodig

De plannnen die in de politiek leven om `overstromingsgebieden' aan te wijzen bij de grote rivieren, zijn slecht doordacht, vindt W.F.T. van Ellen.

Toen ik eind jaren tachtig als adviseur van de VN in Bangladesh het concept van `controlled flooding' introduceerde, kon ik niet vermoeden dat ruim tien jaar later dit principe ook in Nederland opgang zou maken onder de noemer `gecontroleerde overstromingen'. Het lag ook niet voor de hand om dit te verwachten. Immers, in Bangladesh wordt voor dijken in landelijke gebieden een overstromingsfrequentie van 1 op de 25 jaar aangehouden. Overstromingen zullen daar dus geregeld blijven voorkomen. Dan heeft het zin om te proberen overstromingen zodanig te geleiden, dat schade en hinder zoveel mogelijk worden beperkt. Maar is dat in Nederland ook het geval?

Als we staatssecretaris De Vries (Verkeer en Waterstaat) mogen geloven wel. In haar onlangs uitgebrachte discussienota Ruimte voor de rivier lijkt het wel alsof ons land aan de vooravond staat van watersnoodrampen van apocalyptische afmetingen. Verschijnselen als bodemdaling, zeespiegelstijging en klimaatveranderingen worden ten tonele gevoerd, om de burger ervan te overtuigen dat een drastische koerswijziging in het rivierbeleid noodzakelijk is.

Afgezien van klimaatveranderingen gaat het hier echter om verschijnselen die al eeuwenlang gaande zijn, en waarvan de effecten redelijk zijn in te schatten. Mogelijke klimaatswijzigingen vormen nog steeds een onderwerp van discussie tussen deskundigen. Of klimaatwijzigingen inderdaad met enige continuïteit zullen optreden, staat nog allerminst onomstotelijk vast. Evenmin is het mogelijk om met enige mate van nauwkeurigheid vast te stellen, wat het effect ervan zou kunnen zijn op het patroon van neerslag in het stroomgebied van de grote rivieren, noch op het afvoerregime. Al met al is er geen reden om nu reeds fysieke maatregelen te nemen. Wel is het uiteraard zaak om in internationaal verband de nodige waarnemingen te doen en studies te verrichten. Mogelijk weten we dan over 25 jaar iets meer.

Uit de discussienota van De Vries blijkt dat met de reacties op de hoge waterstanden van 1993 en 1995 iets merkwaardigs aan de hand is. De waterstanden op de Rijn en de Maas die toen voorkwamen, waren inderdaad hoog, maar niet extreem hoog. Dat ze blijkbaar wel als zodanig zijn ervaren, en zelfs tot evacuatie op grote schaal leidden, was vooral te wijten aan het feit dat gedurende vele jaren was nagelaten om de dijken naar behoren te onderhouden en te versterken. In Limburg deden zich daarnaast enkele problemen voor die in de eerste plaats te wijten waren aan een te liberaal beleid van plaatselijke overheden bij het toelaten van bebouwing in het Maasdal. Maar op zichzelf was en is er geen enkele reden waarom het toenmalige hoogwater, dat geheel binnen het statistische verwachtingspatroon viel, zou noodzaken tot ander beleid.

Vaststaat dat na de uitvoering van de laatste dijkverhogingen, Nederland een hoge mate van veiligheid bezit tegen overstromingen. De bewering in de nota van De Vries, dat torenhoge dijken en hoog boven het land liggende rivierbeddingen nodig zullen zijn bij voortzetting van het huidige beleid, is volledig uit de lucht gegrepen en houdt geen enkel verband met de realiteit. Integendeel, er kan met recht worden gesteld dat – na de voltooiing van de Deltaplannen voor de zee- en de rivierdijken – Nederland nog nooit eerder in de geschiedenis zo veilig is geweest en dat ook ten minste in de komende halve eeuw zal blijven. De dijken moeten dan uiteraard wel goed worden onderhouden.

In de nota wordt veel te gemakkelijk gesproken over `retentiegebieden' (gebieden voor gecontroleerde overstromingen), terwijl daar in de eerstkomende vijftig jaar volstrekt geen behoefte aan is. Hiermee wordt lijnrecht ingegaan tegen het ongeveer anderhalve eeuw lang gevoerde beleid. Dan moeten er toch wel zeer sterke argumenten worden aangevoerd om de noodzaak hiervan overtuigend duidelijk te maken. Het gaat hier tenslotte om het opzettelijk onder water zetten van gebieden waar mensen wonen en werken. Het valt te verwachten dat particuliere investeerders de aangewezen gebieden links zullen laten liggen. De overheid creëert dus gebieden die sociaal-economisch blijvend achter zullen lopen ten opzichte van de aangrenzende gebieden. Het is op zijn minst merkwaardig dat dergelijke verreikende beslissingen genomen zouden kunnen worden zonder voorafgaand grondig overleg met de bewoners.

De discussienota van De Vries gaat al met al beduidend verder dan het rapport Ruimte voor Rijntakken, van een zogeheten `bestuurlijke begeleidingsgroep', dat in februari aan haar werd aangeboden. Ook dit rapport gaat uit van de veronderstelling dat maatregelen nodig zijn om Nederland afdoende te beveiligen tegen overstromingen vanuit de grote rivieren. Maar in dit rapport wordt gesteld dat die in de eerste plaats gevonden zullen moeten worden binnen het winterbed, met name door het verlagen van de uiterwaarden. Op termijn kan ook een aanpassing van de dijkhoogte nodig zijn. Pas daarna komen maatregelen als retentiebekkens mogelijk in beeld.

Wellicht dat er op langere termijn – na verloop van een halve tot een hele eeuw – wel een reden kan zijn om de veiligheid nog verder te vergroten. Misschien niet zozeer wegens zeespiegelrijzing, bodemdaling en klimaatverandering, maar omdat men geleidelijk de door dijken beschermde gebieden een grotere mate van veiligheid zal willen bieden dan op dit moment; nu wordt een aanvaarde overschrijdingskans gehanteerd van 1 op de 1.250 jaar. Het betreft hier overigens een tendens die op allerlei vlakken van het menselijk bestaan valt waar te nemen: de mens probeert de risico's van natuurlijke rampen steeds verder in te dammen. Pas dan zouden retentiebekkens nodig kunnen zijn.

Deze retentiebekkens zouden dan zo hoog mogelijk stroomopwaarts van de splitsing bij Pannerden moeten worden aangelegd. In dat geval hebben zowel de Waal als de Rijn en de IJssel baat bij de bereikte waterstandsverlaging. In de omgeving van dit splitsingspunt doen zich bovendien bijna ideale omstandigheden voor. Gebieden als de Lobberdensche Waard, de Millingerwaard, de Byland, het dal van de Oude Rijn en, op Duits grondgebied, Salmorth, fungeren nu al gedeeltelijk als bergingsgebied. Verdere ontwikkeling is mogelijk. In totaal kan hierdoor een bergingsgebied ontstaan met een oppervlak van 20.000 tot 25.000 hectare, dat in staat is om de toppen van voorkomende hoogwatergolven effectief af te vlakken. In dit gebied zou dit waarschijnlijk beter kunnen dan in de Ooypolder, die door De Vries is aangewezen als retentiegebied. Het is merkwaardig dat deze mogelijkheid klaarblijkelijk niet door de staatssecretaris is onderzocht. Bij een goede inrichting van deze gebieden ontstaat een groot en robuust recreatie- en natuurgebied, nabij de Duits-Nederlandse grens.

De huidige plannen zijn onvoldoende gefundeerd en onvoldoende doordacht. Er zijn geen overtuigende redenen waarom nu reeds maatregelen nodig zouden zijn, die zo diep ingrijpen in het leven van de getroffen bevolking en een zo ernstige, blijvende en belemmerende ingreep vormen in de betreffende landschappen. Natuurlijk is er ruimte voor aanpassingen in het beheer van de rivieren. Alom ervaart men steeds meer waardering voor de natuur. Het kan geen kwaad dit tot uitdrukking te brengen in het rivierenbeleid. Maar het is onjuist het voor te stellen alsof dit nodig zou zijn ter vergroting van de veiligheid.

W.F.T. van Ellen is emeritus hoogleraar op het gebied van land- en waterontwikkeling aan de Technische Universiteit Delft.