Het zaad gaat verloren

Combines, ruilverkaveling, irrigatie en kunstmest; ze hebben allemaal bijgedragen aan de explosieve stijging van gewasopbrengsten in de afgelopen halve eeuw. Maar vooral de introductie van High Yielding Varieties (HYV), het door plantenveredelaars uitgedokterde wonderzaad, zette vanaf de jaren vijftig wereldwijd de zogeheten Groene Revolutie in gang.

Maar het technologische succes heeft een keerzijde: een sterk krimpende genenpool. De cijfers die de commentaarstem noemt in de documentaire Het laatste zaad zijn zo extreem dat je ze bijna niet gelooft. Zo zou in de afgelopen honderd jaar het aantal soorten maïs wereldwijd zijn gedaald van 500 tot 50. De diversiteit in rijst is in de helft van de tijd zelfs gereduceerd van 20.000 tot maar 40 soorten. Waarom die genetische verschraling zo groot is, wordt slechts zijdelings aangestipt. De documentairemakers rekenen er blijkbaar op dat de kijker wel weet dat monocultuur ziekte in de hand werkt, dat industrieel zaad vaak alleen effectief is in combinatie met milieuvervuilende kunstmest en pesticiden, en dat de schaalvergroting waarmee de introductie van HYV's vaak gepaard gaat niet zelden leidt tot ernstige bodemerosie.

Het laatste zaad stelt simpelweg dat afnemende biodiversiteit een kwalijke zaak is en schakelt dan snel over naar wat daar momenteel aan gedaan wordt. Het opzetten van een genenbank bijvoorbeeld, zoals bioloog Jaap Hardon twintig jaar geleden al deed in Wageningen. De camera volgt hem naar Bhutan, een geïsoleerd Himalaya-koninkrijk met een biodiversiteit die biologen doet watertanden, waar hij samen met een inheemse collega de akkers afstruint op zoek naar nieuwe soorten voor zijn collectie. In luchtdichte verpakkingen en bij een temperatuur van min 20 graden kan hij de zaden wel tot vijftig jaar bewaren.

Dat het ook anders kan, bewijst zadenverzamelaar Guus Lieberwerth. Deze zonderling met groene vingers bewaart in potjes, flesjes, zakjes en dozen meer dan 30.000 verschillende zaden. Ieder jaar opnieuw zaait hij ze uit in zijn Hof van Eden aan de rand van Utrecht, zodat de gewassen niet verloren gaan.

Maar hoe professioneel of amateuristisch het ook gebeurt, het conserveren van soorten is een taak van verzamelaars en niet iets waar de landbouw boodschap aan heeft. Die moet om de productiviteit op peil te houden een eigen antwoord vinden op de kwalijke gevolgen van afnemende biodiversiteit. De documentairemakers tonen de twee uiterste reacties op de ontwikkeling van de moderne landbouw: genetische manipulatie en ecologisch boeren. De eerste methode is absoluut het meest doelmatig in het in korte tijd fabriceren van nieuwe soorten. Het nadeel is wel dat landbouw nog meer het domein wordt van laboratoria, distributeurs en fabrikanten, en dat het de boer reduceert tot een verlengstuk van zijn zaaimachine. En ecoboer Joop de Koeyer, exponent van de tweede methode, legt juist nadruk op `meer betrokken' boeren.

Ook de wetenschapper Hardon, gezeten aan een idyllisch bergstroompje in Bhutan, mijmert over `de eenheid van mens en natuur'. Maar met dit soort westerse, romantische ideeën heeft het instandhouden van soortendiversiteit als onderdeel van agrarische bedrijfsvoering natuurlijk niets van doen. Het is doodgewone risicospreiding. Een kwestie van boerenverstand.

Het laatste zaad, morgen, Ned.1, 22.42-23.38u.

    • Edo Dijksterhuis