Ha heerlijk: vergane glorie!

Het bed zakt door, de telefoon kraakt, de tv geeft vooral sneeuw, de douche wordt pas na vijf minuten warm en je hoeft je vinger niet langs de plint te halen om te zien dat het vrij stoffig is. En toch is hotel Windsor in het centrum van Kairo bijna altijd volgeboekt.

Het geheim? De sfeer van vergane glorie.

Hotel Windsor heeft van zijn `faded grandeur' zijn handelsmerk gemaakt. ,,We proberen het hotel zoveel mogelijk in zijn oude staat te laten'', zegt de heer Doss, de eigenaar. Een ongebruikelijke bedrijfsfilosofie, geeft Doss toe, maar volgens hem de enige manier voor zijn hotel om te overleven. ,,Het heeft geen zin de strijd aan te gaan met het Sheraton, het Hyatt, het Meridien en andere sjieke vijf-sterren hotels in de stad – dat verlies ik. Daarom benadruk ik de grandeur van vroeger''.

Dat lukt uitstekend. Wie het hotel binnenstapt krijgt het idee dat hij de set oploopt van een film die in 1950 speelt: aan de muur hangen vergeelde posters met de Zwitserse toeristenplaatsen van weleer: Gstaad en Sankt Moritz. De telefooncentrale achter de balie is nog van het type bakeliet en pluggen. De honderd jaar oude lift is gemaakt van gietijzer en hout. Het is een lift in zijn meest elementaire vorm: een bakje dat op en neer wordt gehesen. De eerste keer erin stappen vereist enige moed. Alleen de gedachte dat het ding er al honderd jaar hangt, neemt de aarzelingen weg. De lift is hand-bediend: de liftboy moet zelf proberen de lift gelijkvloers met de gewenste etage te krijgen. Aan het eind van z'n dienst lukt dat niet altijd even goed meer: dan is er wel eens een op- of afstapje van dertig centimeter: ,,Sorry sir.''

Hotel Windsor is een begrip in Kairo. Het honderd jaar oude gebouw was, voordat het een hotel werd, het badhuis van de koninklijke familie. In de jaren dertig werd het de dependance van het er vlakbij gelegen, legendarische Sheppards Hotel: het uit 1841 daterende hotel waar tout koloniaal Kairo elkaar ontmoette.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren Sheppards en Windsor het onderkomen voor Engelse officieren. Het houten Sheppards ging in vlammen op tijdens de Zwarte Zondag in 1952 toen een golf van antikoloniaal geweld de stad overspoelde. Windsor had enige rook- en brandschade – een geblakerd schilderij in het restaurant herinnert daaraan – maar bleef overeind. In 1963 nam de familie Doss het over van de Zwitserse eigenaar. In de jaren zestig zat het hotel vol met Russen, constructeurs aan de dam bij Aswan. Een paar Russische boeken in de boekenkast in de bar getuigen er nog van.

Sinds de bijbel der toeristen, de Lonely Planet Guide, vermeldt dat ex-Monty Python-lid Michael Palin het hotel in 1991 aandeed tijdens zijn `in-80-dagen-de-wereld-rond' reis hoeft hotel Windsor nauwelijks meer reclame te maken. Het zit stampvol met toeristen die wars zijn van de betonnen en marmeren luxe van de internationale ketens – en die dat vaak ook niet kunnen betalen – maar voor wie reizen ook betekent het genieten van de sfeer van een oud hotel.

Het zijn reizigers die als ze in New York zijn naar het Chelsea Hotel gaan, naar Hotel Monte Carlo in Mexico-Stad, Gran Hotel Rivera in Tampico, het Olofson in Port-au-Prince, en Hotel New Victoria in Bangalore. Bij mijn weten is nog geen uitgever op het idee gekomen om een gids met `Faded glory hotels' voor de hele wereld te publiceren. Gezien de nog immer toenemende reislust en de hang van veel toeristen naar het bijzondere zou zo'n gids in een behoefte voorzien.

Maar misschien is het wel beter dat zo'n gids er nooit komt. De toestroom van toeristen zou de eigenaars van de hotels misschien op het idee brengen dat ze nu toch maar eens moesten gaan moderniseren.

Of hotel Windsor nog lang vergane glorie blijft valt te bezien. De net afgestudeerde dochter van Doss, zijn opvolger, heeft er in ieder geval al voor gezorgd dat het hotel een eigen website heeft. Hopelijk is dat niet het begin van een moderniseringsgolf: het zou het einde van hotel Windsor zijn.