Gedesoriënteerde kunst uit Oostenrijk

In de Beyerd zijn acht jonge Oostenrijkse kunstenaars bij elkaar gebracht onder het motto `De desoriëntering van de blik.' `Momenteel zijn het vooral de technische manipuleerbaarheid, de snelheid van de informatiestroom en de interactiviteit met virtuele personen en gebeurtenissen, die onze visuele waarneming, en ook onze waarneming van de tijd, beïnvloeden', zoals vermeld staat in het informatieblad van De Beyerd. We horen het vaak: we zijn versnipperd en gedesoriënteerd geraakt doordat we overvoerd worden door synthetische beelden, die niet alleen door hun grote hoeveelheid maar ook door hun snelheid ons opnamevermogen te boven gaan.

Margret Wibmer, een in Amsterdam wonende Oostenrijkse kunstenaar, selecteerde de exposanten. Ze werken in verschillende media, van schilder- en beeldhouwkunst tot interactieve installaties. De tentoonstelling `heeft betrekking op actuele maatschappelijke fenomenen' en `wil voor alles de positie van de beschouwer onderzoeken'. Het is een hardnekkig misverstand. Zo blijkt ook weer op deze tentoonstelling dat de betrokkenheid van de beschouwer bij een kunstwerk groter is wanneer hij er letterlijk in kan stappen (zoals bij een installatie) of wanneer hij het werk bijvoorbeeld digitaal kan beïnvloeden. Dit is eerder een bezighouden van de beschouwer, en het levert zelden een actievere betrokkenheid bij het kunstwerk op dan wanneer iemand geconcentreerd een schilderij bekijkt.

Zo maakte Marc Mer een installatie getiteld `Coïtus by mere coincidence (private public space)' waarin de bezoeker zichzelf in spiegels kan betrappen bij het bekijken van in vitrines uitgestalde pornotijdschriften. Misschien weten we nog niet dat we graag naar blote plaatjes kijken en worden we nu door Mer met onze verdrongen lusten geconfronteerd – een voorbeeld van therapeutische interactie tussen kunstwerk en beschouwer.

Interessanter is het werk van Peter Kogler. Kogler ontwerpt patronen van buizenstelsels, golvende slangen en marcherende mieren (zoals op de Documenta in Kassel), die muren en wanden bedekken en die de stabiliteit van de architectuur visueel ondermijnen. In een zaal in De Beyerd legde hij van muur tot muur een vloerbedekking neer waarop zo'n labyrintisch netwerk staat afgebeeld, in metalige grijstonen. Het heeft een sterk illusionistisch effect, waarbij het is alsof de grond zich golvend onder de voeten opent.

Wanneer de expositie beperkt was tot het werk van Kogler dan zou het thema van de gedesoriënteerde blik voor zichzelf spreken. Bovendien zou dit waarschijnlijk een boeiende solo-presentatie hebben opgeleverd. Hetzelfde kan gezegd worden van de ijle wandschilderingen van Susanna Fritscher, waarvan er één in De Beyerd is te zien. Fritscher schildert het verglijden van licht naar schaduw op een zo subtiele manier dat je haar werk in eerste instantie niet opmerkt omdat het nauwelijks te onderscheiden is van een `echt' verloop van licht en schaduw.

Maar acht kunstenaars die ieder met desoriëntatie bezig zijn is te veel van het goede – temeer daar het werk, met uitzondering van dat van Kogler en Fritscher, niet van hoog gehalte is. Elmar Trenkwalder toont kitscherige beelden van brons en klei, bouwsels die er uitzien als bruidstaarten maar die blijken te bestaan uit opeenhopingen van poppetjes of hoofden. Dergelijk metamorfosen toont Trenkwalder ook in zijn getekende landschappen, waarin weke rotspartijen er uit zien als vulva's en vice versa. Klaus Bartl laat op een simplistische manier zien dat zijn realistisch-perspectivisch geschilderde huizen en straten tweedimensionale illusies zijn, namelijk door er witte, transparante verticale strepen overheen aan te brengen.

De bezoeker door het gebrek aan samenhang en door het gebrek aan kwaliteit dus vanzelfsprekend zeer gedesoriënteerd. De paradox is dat het thema van desoriëntatie alleen overtuigend verbeeld kan worden wanneer een kunstenaar er doelgericht (het tegendeel van desoriëntatie) mee bezig is, en wanneer de tentoonstelling op een geconcentreerde wijze is samengesteld. Het heeft geen zin om de chaos van visuele beelden waar we volgens de organisatoren van de expositie zo van in de war zijn, nog eens te herhalen in het museum.

Tentoonstelling: Die Desorientierung des Blickes.

Acht hedendaagse Oostenrijkse kunstenaars: Klaus Bartl, Werner Feiersinger, Susanna Fritscher, Peter Kogler, Marc Mer, Elmar Trenkwalder, Martin Walde, Margret Wibmer i.s.m. Günther Zechberger.

In: De Beyerd, Boschstraat 22, Breda. T/m 24 april, di t/m vrij 10-17 uur, za en zo 13-17 uur.