Een tikkeltje te wild, amigo?

Wilde koersbewegingen zijn regel geworden op het Damrak, ook onder de grote beursfondsen. Dat maakt beleggen spannender. Zoveel spannender zelfs dat de optiehandel er onder lijdt.

Als het maar beweegt, is het devies van de beurshandelaar. Of de koersen nu omhoog gaan of omlaag, als er maar omzet is – en dus commissie – dan vaart de handel wel. Maar wat als de koersen te veel bewegen?

Aan de AEX-index, de verzamelbak van oude en nieuwe bedrijven, van bescheiden concerns als Hoogovens tot moderne giganten als KPN, valt de fors toegenomen beweeglijkheid van het Damrak moeilijk af te lezen. Maar al te vaak heft de daling van één fonds de stijging van een ander op. Het afgelopen halfjaar is er zelfs een dichotomie waar te nemen tussen de traditionele sector en de sector die tegenwoordig wordt samengevat als technologie, media en telecom (TMT). Stijgt de één, dan daalt de ander, en andersom.

Maar achter de communicerende vaten gaat de laatste tijd een orgie van koersstijgingen en -dalingen schuil. VNU ging op 11 februari bijvoorbeeld op één dag met bijna een kwart omhoog. Elsevier kelderde op 25 februari van 13,30 euro naar 11,39 euro. KPN ging op 4 februari als een raket van 102,30 euro naar 119,50 euro. Gisteren dook het juist van 119,65 euro naar 105,25 euro. De koers van het telecomfonds fluctueert sinds december met gemiddeld 4 procent per dag. Kabel- en mediabedrijf UPC gaat nóg harder, met een gemiddelde dagelijkse koersfluctuatie van 6,7 procent over de maand maart. Dat is zeer veel voor een beursfonds met een marktkapitalisatie van 21 miljard euro. Per dag komt er ruim een miljard aan waarde bij, of gaat er juist af.

Daar tegenover staan de veel rustiger, traditionele fondsen. Koninklijke Olie schommelde in het afgelopen kwartaal nog geen 2 procent gemiddeld per dag. En ABN Amro is de kalmte zelf, met een schommeling van iets minder dan 1 procent per dag, vergelijkbaar met de schommeling van de AEX-index zelf.

Het wilde koersverloop van de TMT-sector heeft gevolgen, en met name voor de optiehandel. De prijs van een optie is samengesteld uit drie delen. Eerst is er het verschil tussen de koers waarop de optie mag worden uitgeoefend en de koers van het onderliggende aandeel. Daarnaast is er de tijdspremie, die oploopt naarmate een optie langer te gaan heeft tot hij afloopt. Maar de derde factor achter de optieprijs, de volatiliteitspremie, is op dit moment het belangrijkste. De volatiliteit staat voor de beweeglijkheid van een aandeel. Hoe sterker het onderliggende aandeel fluctueert, hoe groter de kans op uitoefening van de optie tegen een zeer gunstige koers. En dan is er nog een vierde factor: liquiditeit. Er moet voldoende vraag en aanbod van een optie zijn. Is de liquiditeit te gering, dan maakt de prijs kans om extra te stijgen. Zo gingen de optiepremies in de herfst van 1998, toen de Russische betalingscrisis en de deconfiture van het hedge-fonds LCTM de kapitaalmarkt dreigden te doen opdrogen, fors omhoog.

De wilde beurs van dit moment heeft dus grote gevolgen voor de optieprijzen. En dat blijkt ook. ABN Amro is het belangrijkste beursfonds voor de optiehandel: er zijn grote aantallen opties in omloop, waar druk in wordt gehandeld. Bovendien kent het aandeel ABN Amro een rustig koersverloop. De prijs van een call-optie (het recht om aandelen te kopen tegen een bepaalde prijs) ABN Amro per oktober bedraagt, geschoond voor het verschil tussen de uitoefenkoers en de slotkoers van het aandeel gisteren, 2,86 euro. Een zelfde optie in Koninklijke Olie, dus call oktober geschoond voor het verschil tussen uitoefenkoers en slotkoers van het aandeel, kost 4,82 euro. Precies zo'n type optie in het zeer beweeglijke KPN kost, geschoond, 18,75 euro. En UPC, ook zeer beweeglijke met een minder liquide handel, doet zelfs 19,85 euro.

Een optiepositie innemen in UPC is dus vele malen duurder dan in ABN Amro. Dat is logisch: in overdrachtelijke zin heeft de belegger die op zoek is naar hoog rendement bij een hoog risico al voldoende aan de wilde aandelenkoersen zelf. Maar voor de optiehandel zelf is het minder goed nieuws. Als het handelen in opties voor particulieren en instituten in vooral de TMT-sector zó duur is, dan dreigt de handel op te drogen. Als alle beleggers er bovendien, zoals tot voor kort in de TMT-sector van overtuigd zijn dat de koersen één bepaalde richting op gaan, dan zijn er voor de optiehandel moeilijk tegenpartijen te vinden.

De invallende droogte was al te merken aan de inkomsten van de Amsterdam Exchanges, de beursorganisatie zelf. Na het recordjaar 1998 liep vorig jaar de omzet van optiecontracten terug van 257.000 tot 195.000. Aan het volatiliteits-effect dat daar deels de oorzaak van moet zijn, is weinig te doen. Aan de liquiditeit misschien wel. De AEX krijgt in de taakverdeling bij de fusie met de beurzen van Brussel en Parijs tot Euronext wel alle optiehandel in huis, en lanceerde onlangs optieseries op grote buitenlandse beursfondsen als Intel en Nokia. Meer massa op het Damrak is in principe goed voor de liquiditeit, en hoe meer buitenlandse beleggers Amsterdam ontdekken hoe beter. Maar op de langere termijn is de optiehandel, hoe paradoxaal ook, het meest gebaat bij rustiger koersen op de beurs.