Dwangopname verslaafden als stok achter de deur

Al jaren wordt geklaagd over de overlast door drugverslaafden. Deze varieert van visuele- en geluidsoverlast, agressief gedrag en vermogenscriminaliteit tot bedreiging van de volksgezondheid door rondslingerende spuiten.

Het kabinet heeft een serieus begin gemaakt met het aanpakken van deze overlast door in 1994 een `drang'beleid in te voeren. Vooral criminele verslaafden krijgen met dit beleid te maken: zij worden op het politiebureau of in de gevangenis voor de keuze gesteld: óf hun straf uitzitten óf de hulpverlening in. Als de strafmaat groot genoeg is, zijn betrokkenen vaak bereid voor het laatste te kiezen. Bovendien blijkt uit het rapport `Drang op maat', dat de brancheorganisatie GGZ Nederland in december 1998 publiceerde, dat zij steeds langer van de hulp gebruikmaken. Hierdoor stijgt de kans dat zij de maatschappij minder tot last zijn. Over de definitieve effecten op het criminele gedrag valt nog onvoldoende te zeggen, omdat het onderzoek nog niet is afgerond.

Het kabinet wenst deze resultaten echter niet af te wachten en wil nu al een stap verder gaan door `dwang' in te voeren voor een deel van deze groep verslaafden die voor veel overlast zorgen. In Rotterdam is al een opvangvoorziening gebouwd, waarin zij op bevel van de rechter kunnen worden opgenomen. De bedoeling is dat op korte termijn op nog drie plaatsen in Nederland (Amsterdam, Utrecht en Den Haag) vergelijkbare voorzieningen worden ingericht.

Het kabinet vindt de nieuwe voorzieningen noodzakelijk, omdat te weinig verslaafde overlastplegers gebruik maken van de drangprojecten. Zij vergeet daarbij dat het totstandbrengen van drangprojecten erg veel tijd kost. Instanties met heel verschillende culturen (politie en hulpverlening) moeten plotseling nauw met elkaar samenwerken en logistieke processen moeten op elkaar afgestemd worden. Door de veelvuldige personeelswisselingen bij het openbaar ministerie en de politie moeten deze instanties permanent worden gemotiveerd om deel te blijven nemen aan de drangprojecten. Dit moeizame proces zorgt ervoor dat het aantal deelnemende verslaafden slechts langzaam groeit.

Een tweede oorzaak van de langzame groei is het feit dat een deel van de verslaafde overlastplegers nu nog de voorkeur geeft aan `zitten' in plaats van aan hulpverlening. Dit is het geval als het strafbare feit waarvoor een verslaafde vervolgd wordt, niet ernstig genoeg is om een hoge straf te kunnen verwachten. De stok achter de deur is dan te klein om voor hulpverlening te kiezen.

De conclusie is dus, dat nog onvoldoende gepoogd is om van de huidige mogelijkheden in de zorg gebruik te maken en daarbij de reguliere wettelijke mogelijkheden te benutten. De mogelijkheden namelijk, die de wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen biedt. Gemeenten en hulpverleners binnen de verslavingszorg delen deze mening. Het aantal deelnemers aan drangprojecten groeit gestaag en steeds meer verslaafden maken gebruik van nieuwe voorzieningen in de verslavingszorg die beter aansluiten op hun vraag. Zo worden de experimenten met heroïneverstrekking uitgebreid en komen er steeds meer centra voor verslaafden waar niet primair geprobeerd wordt hen te laten afkicken, maar waarbij een fatsoenlijke deelname aan het maatschappelijke verkeer vooropstaat.

Ook zijn er steeds meer huiskamerprojecten en woon-werk-projecten voor verslaafden. Al deze voorzieningen kosten veel geld. Het is wonderlijk dat het kabinet wel geld wil steken in de strafrechtelijke opvang van verslaafden, maar geen geld overheeft voor uitbreiding van de bestaande voorzieningen. Daarmee lijkt dwang de voor betrokkenen minder ingrijpende, maar waarschijnlijk even succesvolle drangaanpak te gaan verdringen.

Het kabinet heeft in zijn reactie op vragen uit de Tweede Kamer geantwoord, dat deze verdringing niet wordt beoogd. Wel degelijk zal rekening gehouden worden met (drang)interventies uit het verleden. Maar daar wringt hem nu juist de schoen: deze interventies hebben maar een beperkt effect gesorteerd vanwege de eerder geschetste ongunstige omstandigheden. De wet biedt echter wel een uitweg door de mogelijkheid om de maatregel voorwaardelijk op te leggen. Daarmee behoeft de dwangopname nog niet direct plaats te vinden maar kan als reële stok achter de deur (twee jaar is een hele tijd) benut worden om iemand alsnog te laten kiezen voor behandeling.

Dwangopname dient slechts in een uiterste situatie te worden toegepast en in alle gevallen dient eerst voorwaardelijke oplegging van de dwangmaatregel te worden toegepast. Op deze manier wordt ook voorkomen dat om opportunistische overwegingen een ruimere doelgroep in aanmerking komt dan oorspronkelijk de bedoeling was. Op basis van eigen ervaringen met de drangprojecten verwacht ik namelijk dat het aantal kandidaten voor deze dwangvoorziening wel eens aanzienlijk kleiner zou kunnen zijn dan het kabinet verwacht, zeker buiten de grote steden Rotterdam en Amsterdam.

Er is dan ook alle reden om de voorgestelde experimenten voorlopig tot deze twee steden te beperken. Dat voorkomt dat dergelijke dure voorzieningen moeten worden `gevuld' met mensen die er eigenlijk niet voor in aanmerking komen. Tevens wordt daarmee voorkomen dat de samenleving zich op het hellende vlak begeeft, waar in toenemende mate wordt gekozen om `onaangepasten' (psychiatrisch gestoorden, zedendelinquenten, verslaafden) uit de samenleving te verwijderen.

Dr. R. Bovens is directeur verslavingsreclassering GGZ Nederland.