Affaire-Peper 2

De oproep van D66-fractieleider De Graaf aan de PvdA-top om duidelijk afstand te nemen van partijgenoot Peper, is volgens minister Jorritsma `raar' en `pretentieus' (NRC Handelsblad, 27 maart). Volgens haar is de `affaire-Peper' een puur Rotterdamse aangelegenheid waar het kabinet zich niet mee moet bemoeien.

Volgens mij vergist zij zich daar deerlijk in. Welbeschouwd draait het namelijk om veel meer dan om gesjoemel met publieke (Rotterdamse) gelden. Door dit te accentueren, wordt aan de essentie voorbijgegaan. Deze overstijgt nu eenmaal verre het vernietigende accountantsrapport. Het meest kwalijke van de `affaire-Peper' is namelijk dat daardoor het onontbeerlijke (!) `vertrouwen' in de politiek voor de zoveelste keer ernstig wordt geschaad, waardoor tegelijkertijd het `aanzien' van politici – dat hun hoge ambt nu eenmaal meebrengt – weer eens een forse deuk oploopt.

Wat in Den Haag daarbij zo langzamerhand verontrusting zou moeten wekken, is dat door dit soort kwalijke affaires het bestaansrecht van het gehele politieke bedrijf – als `Behartiger van het Algemeen Belang' – hoe langer hoe meer op losse schroeven komt te staan. Om dit onverteerbare politieke afbraakproces te stoppen, lijkt het mij geboden dat niet alleen de PvdA-leiding, maar geheel politiek Den Haag, afstand neemt van Peper. Niet uit persoonlijke rancune, maar om de broodnodige politieke geloofwaardigheid en zuiverheid, dus in het belang van het algemeen. Voor de verdediging daarvan schiet een strafrechtelijk onderzoek, hoe goed bedoeld ook, schromelijk tekort.