Het poldermodel en www.nl passen slecht bij elkaar

Buitenlandse politici hebben zich meer dan eens onder de indruk getoond van het poldermodel. Maar schijn bedriegt: de netwerksamenleving rukt op en de overheid zal het contact met de samenleving op een andere manier moeten aangaan, meent Ocker van Munster.

Een van de meest succesvolle Nederlandse exportproducten van de laatste jaren is het poldermodel. Het Nederlands prestige in het buitenland is er flink door opgepoetst. Het poldermodel is een hype geworden. Toch is het succes van het poldermodel bij nadere beschouwing enigszins verrassend.

Het poldermodel staat voor de consensus-mentaliteit: Blijven praten tot je het eens wordt en een ons weegt. Er is ook een institutionele kant. Het poldermodel zegt iets over de wijze waarop de samenleving wordt bestuurd. In de polder worden de zaken niet top-down geregeld, maar manoeuvreert de overheid omzichtig, en in goed overleg met belangenorganisaties. Het poldermodel staat dus eigenlijk voor het aloude corporatisme.

En daar zit de eigenaardigheid. Immers, het begrip poldermodel kwam op toen werd gedacht dat het corporatisme was afgelopen. De overlegeconomie was immers op zijn retour, het maatschappelijk middenveld brokkelde af. Is het maatschappelijk middenveld nu aan een revival bezig, of is sprake van met een virtueel corporatisme, waarbij de overheid zaken doet met oude koepels en centrales, waarvan de achterban is verdwenen?

Het maatschappelijk middenveld is steeds de drager geweest van het corporatisme te onzent, en bestaat uit het conglomeraat van belangenorganisaties die opereren in het gebied tussen markt en overheid. Middenveldorganisaties organiseren een overkoepelend belang dat uitstijgt boven het directe functionele belang van de marktrelatie. De drijvende kracht achter het middenveld was de verzuiling. De naoorlogse verzorgingsstaat was het directe resultaat van het arrangement tussen overheid en maatschappelijk middenveld, waarbij het middenveld het overheidsbeleid diepgaand beïnvloedde, in ruil voor de legitimering van dit beleid bij de eigen achterban.

Vanaf het begin van de jaren tachtig zette een afkalving in, die het gevolg was van de reeds eerder op gang gekomen ontideologisering en individualisering. Middenveldorganisaties raakten hun waardenoriëntatie kwijt, en werden ideologisch neutraal. Zij zijn professionele lobby- en/of serviceorganisaties geworden, en vaak nauwelijks nog te onderscheiden van bedrijven. De leden zijn cliënten geworden, die geen binding meer voelen met hun club.

De ontzuiling van het middenveld heeft geleid tot versplintering van het veld. De centrales en koepels zijn er nog wel, maar ze zijn steeds minder gelegitimeerd om op te treden namens een brede achterban.

Er komen wel nieuwe associaties op, zoals Greenpeace, maar de verbindingen die leden daarmee onderhouden zijn betrekkelijk vrijblijvend. Het probleem van one-issue-organisaties is dat ze belangen niet integreren zoals de klassieke zuilen dat deden, maar belangen steeds verder splitsen. Daarmee wordt het afwegingsprobleem voor de overheid groter. De milieuactivist van vandaag is dezelfde als de boze automobilist van morgen. Langzaam dringt het besef door dat de leegte die het oude middenveld achterlaat, niet zal worden opgevuld door nieuwe spontane initiatieven uit de samenleving die een overkoepelend belang organiseren.

Als antwoord op het vacuüm dat is ontstaan door de verzwakking van het maatschappelijk middenveld, kwam in de jaren '90 het begrip transactiestaat op. De markt moest de taken van het middenveld maar overnemen. Privatisering en decentralisatie werden de nieuwe slogans. Er moest een einde komen aan het corporatisme van de verzorgingsstaat. De achterkamertjes van old-boys-netwerken moesten plaatsmaken voor het primaat van de politiek, voor de mondige burger en de markt. De overheid garandeert in de transactiestaat wel een sociaal vangnet, maar verder moet de burger het maar uitzoeken.

Het optimistische perspectief van de transactiestaat is inmiddels verbleekt. Het privatiseren van overheidstaken blijkt lang niet altijd het beoogde effect te hebben. De mondige burger blijkt een calculerende burger te zijn, die zich niet bekommert om de spelregels die de overheid uitvaardigt. Het verdwijnen van het middenveld heeft de overheid beroofd van de platforms om zaken mee te doen. De eindeloze rij lobby-organisaties die daarvoor in de plaats is gekomen zorgt voor steeds meer bestuurlijke overstretch.

Echter, de globalisering dwingt de hegemonie van de markt gewoon af. Ondernemingen internationaliseren, burgers verplaatsen zichzelf en hun vermogen over de grenzen. En dan is daar ineens het poldermodel. Het corporatisme is blijkbaar helemaal niet dood. De overheid doet nog steeds zaken met de centrales van werkgevers en werknemers in de SER. Er worden convenanten afgesloten met de branche-organisaties over medicijnen en verpakkingen. De overheid overlegt met de milieubeweging over Schiphol en de Betuwelijn. Het lijkt alsof partijen elkaar nog steeds vinden, om het algemeen belang te organiseren.

De vraag is derhalve of reeds afscheid is genomen van de transactiestaat. Als ideologie is dat zeker het geval. Allerwegen worden vraagtekens gezet bij privatisering en verzakelijking. Individualisering en marktdenken zijn in een kwade reuk komen te staan. Maar het verdwijnen van de ideologie betekent nog niet dat de mechanismen zijn veranderd. De markt dendert voort. Alom regeert de contractrelatie. Niks overkoepelend belang – het is boter bij de vis, op de markt, in bedrijven en in de privé-sfeer. Er verschijnen steeds meer associaties die beperkte specialistische belangen organiseren. Mensen moeten daardoor verbindingen aangaan om in de behoeften te voorzien – netwerken. Hoewel het netwerk als metafoor voor de structuren in de moderne samenleving behoorlijk is ingeburgerd, blijft het als fenomeen behoorlijk ongrijpbaar. Er is geen vereniging met mensen die op de ledenlijst staan. Er is geen sturing, geen regie, geen leiding. De voornaamste functie van het netwerk is misschien wel communicatie. Met het netwerk kun je evenwel niet communiceren.

Dat plaatst de overheid voor een fors probleem. Met wie moet je zaken doen in de netwerksamenleving? De overheid wordt geconfronteerd met steeds meer gesprekspartners die een steeds geringer deel van de samenleving vertegenwoordigen. Toch wordt de fictie instandgehouden dat de overheid met de samenleving in gesprek is, en dat maatschappelijke problemen worden opgelost door afspraken en convenanten. Maar als de façade van de instituties en de platforms omvalt, staat de overheid er weer alleen voor.

Het poldermodel is dus eigenlijk een achterhaald concept, dat niet meer past bij de netwerkmaatschappij. Wel wat de consensusmentaliteit betreft. Maar wat de institutionele kant betreft is er weinig toekomst. Er is geen enkele reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. De overheid die het contact met de samenleving niet wil verliezen, doet er goed aan om zich te bezinnen op concepten die passen op de wereld van het www.

Drs. O. van Munster is consultant bij Berenschot.