Ex-Kamerleden zijn geen afdankertjes

De laatste tijd is een debat ontstaan over de inzetbaarheid van ex-Tweede-Kamerleden buiten het politieke circuit. Enige tijd geleden werd in het Algemeen Dagblad een treurig beeld geschetst van een groot aantal Kamerleden die, door hun partij of de kiezers niet langer geschikt bevonden voor het Kamerlidmaatschap, werkloos thuis zitten en niet in aanmerking blijken te komen voor functies in het bedrijfsleven en de non-profitsector.

In deze krant schreef Mark Kranenburg op 3 maart over de publieke zaak. Hij stelt dat politiek en bedrijfsleven aparte, gescheiden werelden zijn en ook behòren te zijn. Kranenburg hekelt het primaat van het bedrijfsleven, en stelt dat vertegenwoordigers van de ene wereld niet volgens normen en criteria van de andere wereld beoordeeld kunnen worden.

De stelling dat ex-Kamerleden voor de arbeidsmarkt onbruikbaar zijn, is moreel verwerpelijk, inhoudelijk onjuist en in zijn gevolgen onaanvaardbaar.

In de eerste plaats dient te worden opgemerkt, dat de problematiek van de ex-Kamerleden niet in praktische zin verschilt van die van de meeste cliënten van bureaus als het onze: hardwerkende, goed opgeleide professionals in het midden van hun leven die in hun laatste baan om uiteenlopende redenen zijn vastgelopen en/of niet langer terechtkunnen. De meesten hebben een jaar of twintig gewerkt, verschillende banen gehad en zich ontwikkeld. Door het gedwongen en ongewenste vertrek voelt men zich miskend en gekwetst. Men heeft soms spijt van de laatste carrièreswitch en vindt het gedwongen nietsdoen uiterst onaangenaam.

Ook financieel verschilt de situatie van een ex-Kamerlid niet wezenlijk van een lotgenoot uit het bedrijfsleven: op vergelijkbare niveaus in het bedrijfsleven is het immers gebruikelijk om voor mensen uit de toplaag de pil van het ontslag met een ruime ontslagvergoeding (de zogeheten gouden handdruk) te vergulden. Een Kamerlid heeft strikt genomen geen werkgever, en heeft dus geen recht op een gouden handdruk, en al helemaal niet op professionele begeleiding bij het vinden van een andere baan. Als compensatie geldt voor Kamerleden een bijzonder ruime wachtgeldregeling, maar het resultaat is emotioneel identiek: men is niet brodeloos, maar voelt zich afgedankt.

Kan nu geconcludeerd worden dat Kamerleden, net als ieder ander, hun weg wel vinden op de arbeidsmarkt, mits goed begeleid en voorzien van de juiste instelling? Of zijn Kamerleden echt van de werkelijkheid vervreemde, overbetaalde en verwaande non-valeurs die niet deugen voor een functie in de `echte' wereld? Ik kan dat niet geloven.

In de eerste plaats omdat voor iedereen, gegeven een bepaald niveau, een passende plek op de arbeidsmarkt is. Ten tweede is het in iedere samenleving een algemeen maatschappelijk belang om de juiste mensen op de juiste plek te krijgen. Dit geldt temeer in tijden van krapte op de arbeidsmarkt, en zeker aan de bovenkant van de arbeidsmarkt, waar immers de verspilling van menselijk talent en het daarin via opleidingen geïnvesteerde vermogen het grootste is. Welke samenleving kan het zich veroorloven om hen die gedurende enkele jaren in een van de hoogste organen van het staatsbestel gefunctioneerd hebben, zonder pardon aan de kant te zetten?

De werkkracht en ervaring van deze mensen kunnen node gemist worden. Het gaat niet aan Kamerleden af te schilderen als gerecruteerd uit de plaatselijke middenstand, het partijkader of de grijze middenmoot van de (semi-)overheid, en daarmee te suggereren dat hij of zij dus wel voor niets anders geschikt zal zijn. In de westerse beschaving is de idee van de menselijke vooruitgang diep verankerd, de idee dat op ieder mens de plicht rust zijn talenten naar beste vermogen te gebruiken. Ieder mens kan en moet zich ontwikkelen. De meesten blijken gedurende hun leven tot dingen in staat te zijn die niemand vroeger van hen verwacht had. Nu geldt dit laatste wel bij uitstek voor een Kamerlid.

Die heeft in eerste instantie al de moed en het doorzettingsvermogen opgebracht om zijn vorige werkkring op te geven in ruil voor een onzekere en kwetsbare nieuwe rol, waarvan men van tevoren niet weet of men ervoor geschikt is. Het Kamerlidmaatschap stelt vervolgens unieke en zware eisen, voor welke de betrokkene wel de vaardigheden, maar niet de talenten blijkt te bezitten. Ook kan men, speelbal als men is op de politieke golven, doodeenvoudig niet herkozen worden of niet de handigheid bezitten om op een verkiesbare plaats te komen.

Hoe het ook zij, en hoe ook de beëindiging van het Kamerlidmaatschap precies verloopt, de periode als volksvertegenwoordiger zal voor velen een verrijkende leerervaring zijn, die wellicht per saldo verkeerd uitpakt maar toch voor de persoonlijke ontwikkeling van de betrokkene als waardevol moet worden beschouwd. Zonder enige twijfel is er voor deze mensen na het Kamerlidmaatschap weer een perspectief, een andere passende baan. Er is maar één voorwaarde: de bereidheid om zich zonder vooroordelen open te stellen voor iets nieuws en het verleden, inclusief status en inkomen, los te laten.

Mensen met deze bijzondere achtergrond verdienen het om, ten minste zoals ieder ander in het bedrijfsleven en bij de overheid, naar een in alle opzichten passende nieuwe baan geholpen te worden. Nu politieke partijen niet de middelen hebben om hun partijgenoten financieel bij te staan, heeft de overheid een plicht om haar ex-volksvertegenwoordigers behalve met ruime wachtgelden, ook in dit opzicht bij te staan. De resultaten zullen de kosten verre overtreffen.

Mr. J.M. Quist is directeur van Top Executive Coaching in Haarlem, een outplacement- en coaching bureau voor de hogere inkomensgroepen.

kan node worden gemist