Een jongeman op dameslaarsjes

Het was oorlog. Wat ontbrak, moest opnieuw worden uitgevonden. In het schildersatelier van mijn oom stond een curieuze machine die bietenpulp – via een wirwar van slangen en glazen kolven – tot een stroperig surrogaat van suiker verwerkte. Ik hoefde maar naar het apparaat te wijzen of mijn oom raakte in alle staten. Elke trilling zou het delicate proces kunnen verstoren.

Ik mocht me überhaupt niet bewegen. Ik moest stilzitten. Er werd een portret van me gemaakt. Het doek waar mijn oom – me met toegeknepen ogen metend – aan werkte, leek nog verre van af. Ik haatte het. Ik vluchtte de boomgaard in. Verderop – verloren in het weiland – stond een bunker met schietgaten. Op de betonnen wanden waren vensters met vrolijke gordijntjes en zelfs een half openstaande deur gesuggereerd. Ik wist niet wie ze daarmee wilden bedotten. Ik was er altijd alleen. Nog verder lag de spoorlijn. Daarheen gaan was een waagstuk. Want als hoog in de lucht het gebrom van vliegtuigen aanzwol en het geluid van een sirene over het land kwam, moest ik halsoverkop en alle sloten over terug. De rails waren vaak doelwit. Ze liepen tot over de horizon. Ze sterkten mijn verlangen naar huis. We waren al jaren op drift, van het ene adres naar het andere. Soms was het gezin herenigd. Dan viel het weer uiteen.

Op een dag toen ik me – door beloften gepaaid – liet schilderen, kwam mijn moeder me halen. Op de fiets! Met vóór een autopedwieltje en een reep massief rubber (antiplof!) rond de velg van het achterwiel. Op de bagagedrager lag een zak bonen. Daar zat ik bovenop toen we afscheid namen van mijn oom. Achter de zwoegende rug van mijn moeder zag ik hem in zijn atelier verdwijnen om het onafgemaakte doek in een hoek te gooien. Toen we de melkfabriek waren gepasseerd, kwam de wind zo genadeloos over de weilanden dat we moesten afstappen. We liepen uren tot we in de luwte kwamen van de grote stad.

Amsterdam leefde groots in mijn verbeelding. En waarachtig, de eerste de beste voorbijganger waarschuwde mijn moeder op een fluistertoon dat de Duitsers fietsen aan het `vorderen' waren. We zagen zelfs hoe die aan het einde van een straat allemaal op een hoop werden gegooid. We begonnen aan een omweg langs de overkant van de Amstel. Ten slotte stapten we af en liepen behoedzaam, bijna op onze tenen de Magere Brug over. Tot we arriveerden bij de hoge stoep van een patriciërshuis aan de Keizersgracht. Het behoorde aan een – afwezige – tante Vera, die geen tante was, maar ooit kostuums had ontworpen voor een oom aan het toneel.

Ik herinner me de omvang van het onverwarmde huis. We leefden er de laatste maanden van de oorlogswinter alsof we verdwaald waren in een vreemd verleden. Van de meeste kamers waren de luiken gesloten. Ze bleven ongebruikt. Op de marmeren vloer van de grote, ijskoude badkamer lag de huid van een ijsbeer, de poten gespreid, de kop er nog aan, de kin op de tegels. Met dreigende kaken en opengesperde ogen keek hij toe als mijn broertje en ik ons – schuchter, met kleren aan – wasten bij een miezerig straaltje uit de kraan boven de wastafel. Van de badkamer ging een ijzeren brandtrap de tuin in, waar naakte beelden tussen dorre struiken stonden. Wij woonden hoog in het huis, bijna op zolder, alsof we er niet waren. Beneden hoorde je de voordeur in de ruime hal echoën als iemand vertrok.

Uit de toneelkostuumcollectie van tante Vera hadden we het bruikbare gekregen. Ik werd met een paar dameslaarsjes opgezadeld. Afgezien van de hoge hakjes, moest ik de veters tot onder mijn knieën rijgen. Aan mijn gêne en ongeduld kwam gauw een einde. De zolen losten op in de smeltende sneeuw. Ze waren van karton!

Een toneelkostuum werd verknipt tot jassen voor mijn broertje en mij. We waren trots op de roestbruine kleur. Op een dag speelden we in een wrak dat in de gracht was vastgevroren. Overvallen door jongens die ons met sneeuwballen bekogelden, vluchtten we naar huis en hingen onze jassen op de trapleuning. Na verloop van tijd lekte de gesmolten sneeuw in plasjes bruine drab op de vloer. Op onze jassen verschenen grauwe bleekvlekken! Tegen het drama van de werkelijkheid bleken ze niet bestand.

Amsterdam lag er verloren bij, de grachten verlaten. Een enkeling passeerde als verdwaald in een vreemde zwartwit film. Een oude man – ik denk dat hij concierge was ten tijde van de oorspronkelijke bewoners – deed soms klusjes in het huis. Op een avond had mijn moeder wat sla aangemaakt. Ik zag hoe hij zijn blikken er niet van af kon houden en – toen hij zich een moment onbespied waande – vliegensvlug een handvol uit de slabak griste en in zijn binnenzak stak. Mijn adem stokte in mijn keel. Ik durfde hem niet te verklikken. Mijn moeder merkte het toen we aan tafel gingen.

De volgende ochtend kwam de zoon met de oude man excuses aanbieden.Ik hoorde de stemmen echoën in de hal. Het liep hoog op. De oude man huilde. De stad was minder groots dan ik me verbeeld had. We werden gewaarschuwd nooit iets van straat op te rapen. Iemand had immers voor de gaarkeuken een voorwerp – dat op een rood potlood leek – gevonden en bij zich gestoken. Het was in zijn jaszak geëxplodeerd! Hoe kon mijn vader dan op het idee komen een ijzeren bed uit het puin van een gebombardeerd huis te wrikken? Het moest naar de Keizersgracht. Het was een onmogelijke opgaaf. We bezweken onder het gewicht. Mijn vader aan de ene, mijn broertje en ik – snikkend – aan de andere kant.

We werden opgehouden door een voorbijganger. Er werd op fluistertoon gesproken. Voor mijn vader was het geen aanleiding het bed langs de straat te laten staan. We moesten door.

Maar het fluisteren verspreidde zich over de stad. Eerst aarzelend als het voorjaar dat zich aandiende. Ten slotte roekeloos, hardop: `De oorlog loopt op z'n eind!'

Niemand van ons heeft in het ijzeren bed hoeven slapen.