Woorden zonder wereld

Langzaam brokkelen de muren af. De levensvraag is niet meer filosofisch, maar biologisch. Niet meer 'Wie ben ik?' maar 'Waar ben ik?' Maar achter de taal kun je je heel lang verschansen.

Alzheimer van de buitenkant.

Met een truffel, altijd van de beste bonbonmaker die wij in Woerden hebben, weet ze wel raad - ze stopt hem resoluut in haar mond en begint met overgave te kauwen. Maar met haar thee kan ze eindeloos treuzelen.

'Kom Ma, drink je thee nou eens op.'

Dan haakt ze voor de zoveelste keer haar be-nige wijsvinger in het oor van haar glas. Afwezig voor zich uit starend brengt ze het naar haar lippen en net als je denkt dat het nu toch heus gaat gebeuren, dat Ma eindelijk een slok thee zal nemen, besluit ze het weer terug te zetten. Dat glas heel precies op de rand van de tafel.

Ik trek mijn wenkbrauwen op, Iris schiet in de lach. Haar moeder heeft zo haar eigen gedachten.

' 't Is misschien gek dat ik het vraag', begint ze aarzelend, 'maar mijn vader en moeder... zie ik mijn vader en moeder nog weleens?'

'Ach Ma, denk nou eens na, hoe oud ben je wel niet?'

'Dat weet ik niet, hoor.'

'Wanneer ben je geboren dan?'

'Negen mei 1910.'

'En nou is het 1999.'

'Is het al 1999?' Stomverbaasd.

'Dus hoe oud ben je dan - als het 1999 is en je in 1910 geboren bent...hoeveel is negenennegentig min tien?'

Na een tijdje: 'Negenentachtig.'

'Ben ik al negenentachtig?'

'Negenentachtig ja - en hoe oud zouden uw vader en moeder dan wel niet moeten zijn?'

Nu breekt er een verontschuldigend lachje door op haar gezicht. 'Nee, dat kan niet hè?'

'Nee, dat kan niet, Ma.'

'Dus die zijn dood', concludeert ze, en voor zolang het duurt heeft ze daar vrede mee.

Zo kun je, als je de bizarre vraag waarmee het begon voor lief neemt, nog best een verstandig gesprek met haar voeren. Ze snapt dingen. Ze kan redeneren. Intussen, geen twijfel mogelijk, woont ze in een ruïne. Van haar geheugen staan alleen de buitenmuren nog overeind en ook die brokkelen steeds verder af. Ik zal niet ontkennen dat ik nieuwsgierig ben hoe dat werkt. Ik neem aan dat iedereen daar nieuwsgierig naar is, net zoals iedereen nieuwsgierig is naar de dood.

In juli had Iris' moeder haar heup gebroken. Ze verbleef toen al een jaar of vier in 't Oude Landt, een verzorgingstehuis in Woerden, maar het zag er niet naar uit dat ze hier ooit zou wennen. Naar haar idee zat ze nog altijd in Den Haag, de stad waar ze klein was geweest, waar ze in een hoedenatelier had gewerkt, waar ze een man had gevonden, waar ze kinderen had gekregen, waar ze weduwe was geworden.

Je mocht zo onderhand wel zeggen dat ze dement was, op z'n minst extreem vergeetachtig.

Ze werd naar het Hofpoortziekenhuis gebracht. Ze onderging een operatie en de narcose had een reeks psychotische verschijnselen tot gevolg, waarvan ze prevelend verslag deed. Dat is bij deze mensen normaal. Ze herstelde verwonderlijk snel en toen gleed ze, eigenlijk zonder dat haar feitelijke toestand erg veranderde, van de ene gemoedsgesteldheid in de andere.

In het begin was er vooral paniek. Natuurlijk, sinds het dementeren was begonnen, waren er altijd momenten van paniek geweest, maar dit was anders, dit was hardnekkig en constant, een vreselijke vertwijfeling. Ze begreep absoluut niet wat er met haar gebeurde en dat greep haar hevig aan.

Daarna was er een periode van lethargie - ze verstopte zich achter een gordijn van immense tevredenheid en wij begonnen al te geloven dat het kaarsje zonder verdere problemen zou doven.

Toen werd ze uitgesproken levendig, helderder en opgewekter dan ze in tijden was geweest. Ma fleurde op.

Wat haar goed deed was waarschijnlijk de permanente aanwezigheid van mensen om haar heen.

Met de medemens had mijn schoonmoeder altijd een complexe relatie onderhouden. Ze had op iedereen iets aan te merken, en daarbij werden de grenzen van het boosaardige weleens overschreden. Scherpe tong, een flinke scheut on-

verdraagzaamheid in haar karakter, een mespuntje roekeloosheid in haar temperament. Nee, Ma was niet gauw tevreden met de mensen om haar heen. Maar ze kon toch ook niet zonder, ze kon beslist niet tegen alleen zijn. Als ze alleen was, op haar kamer in 't Oude Landt, zat ze onophoudelijk te huilen. 'Kind', zei ze tegen Iris, 'kun jij me uitleggen waarom ik tegenwoordig altijd zo verdrietig ben?'

In augustus ging ze van het Hofpoort naar Weddesteyn, een verpleegtehuis.

Mensen die knoeien met eten, die als zombies heen en weer lopen over de gang, die de hele dag zitten te kreunen of met een stok op tafel slaan of op bed liggen en het halve huis bij elkaar gillen.

'Kind', zei Ma tegen Iris, 'laat me hier niet achter, laat me niet bij die gekken zitten.' Dan klampt een moeder zich aan je vast. 'Neem me mee; ik kan toch wel bij jou wonen?' Dan probeert een oude vrouw, helemaal aan het eind van haar mogelijkheden, nog één keer iets goeds te bewerkstelligen voor zichzelf.

De wanhoop, de schaamte.

Op zeker moment zei Iris dat er een nichtje op bezoek zou komen. 'O jee', reageerde Ma, 'als die dan maar niet denkt dat ik ook niet goed wijs ben.'

Dus dat gebeurt ook nog, dat ze zich zorgen maakt over het decorum. Ach moedertje, zou je zeggen, laat toch zitten, er zijn wel belangrijker dingen om je zorgen over te maken. Aan de andere kant: als ze zich zorgen maakt over het decorum, is ze wel heel erg zichzelf, Iris' moeder uit Den Haag.

Haar plaatsing in Weddesteyn was maar tijdelijk. Revalidatie was het uitgangspunt. Elke ochtend therapie.

'Nee hoor', zei ze, 's middags in volle ernst, 'ze doen hier niks met me.'

'Ik heb', zei ze, 'hier nog nooit een dokter gezien.'

'Ga ik goed vooruit?' zei ze. 'Nou, dat zal dan wel.'

Het was zonneklaar dat ze in Weddesteyn enorm hun best op haar deden. En zelf deed ze ook enorm haar best. Ze wou daar weg. Ze had met geen mogelijkheid kunnen uitleggen waarom, ze zou nooit verslag kunnen doen van haar ervaringen, de verschrikkingen die ze om zich heen zag. Ze zou haar wil om daar weg te komen in de verste verte niet kunnen beargumenteren. Het was gewoon iets dat zich had vastgezet in haar lijf, ergens onder dat broze, roze schedeltje van haar.

Terug naar haar kamer in 't Oude Landt. Waar ze haar verblijf in Weddesteyn in een mum van tijd zou vergeten, waar ze dezelfde dag nog zou gaan zitten huilen omdat ze zo alleen was. Afijn, Ma leerde lopen.

Soms noemt ze me bij mijn naam, soms niet. Toch heb ik altijd de indruk dat ze weet wie ik ben. In ieder geval weet ze altijd wie er bij me hoort.

'Is Iris er niet?'

'Iris werkt vandaag.'

'O ja, ik dacht al.'

Naar de jongens informeert ze eigenlijk nooit meer. Toen ze dat nog wel deed, noemde ze hen steevast Bram en Henk, maar zo heten onze jongens niet, zo heette de tweeling van één van haar broers, jongens van vroeger. Over deze broers, het leven aan de Beestenmarkt, kan ze nog met smaak vertellen. Verhalen met een zweem van kattenkwaad. Maar je moet er wel om vragen. Uit zichzelf vertelt ze vrijwel niets. Uit zichzelf komt ze vrijwel nergens toe.

Toen ze nog in 't Oude Landt woonde: ze kwam niet op het idee om een boek te pakken,

ze kwam niet op het idee om de tv aan te zetten, ze kwam niet op het idee om de zuster te bellen als ze wat nodig had.

Nu ze weer een beetje kan staan, nu ze weer een beetje zou kunnen lopen, nu lijkt het waarachtig wel alsof ze vergeten is wat lopen is.

Ma: 'Wat moet ik dan doen?'

Iris: 'Die voet naar voren zetten.'

Iris is haar houvast, haar strohalm. Tegen Iris kan ze zeggen dat ze het koud heeft, dat er iets is wat haar pijn of ongemak bezorgt. Een ander zou ze dat nooit laten merken, niet ongevraagd in elk geval. Ze wil niemand tot last zijn. Tot het einde toe zal ze beleefd blijven.

Maar ook over haar relatie met Iris schijnt ze nu en dan in het duister te tasten.

'Heb je zelf geen familie, dat je altijd maar bij mij komt zitten?'

'U bent mijn familie Ma, je bent mijn moeder.'

'O gunst, ja natuurlijk.'

Soms houdt ze Iris voor haar zuster - alsof ze samen haar jeugd hebben gedeeld en nu eigenlijk samen in één huis wonen. 'Zeg eens eerlijk', begon ze laatst, 'heb jij nou nog hoop dat je ooit zult trouwen?'

Mij valt dan op dat ze haar dochter niet goed kan plaatsen, maar nog wel weet wat trouwen is.

Ach moedertje, zou je zeggen, vergeet de rest nou maar en onthou gewoon dat je bent waar je moet zijn en dat er goed voor je gezorgd wordt, dat we je nooit ergens onverzorgd zouden achterlaten, net zo min als u uw eigen moeder ooit ergens onverzorgd zou hebben achtergelaten. Deze redenering kon ze volgen, maar er ging geen geruststelling van uit, niet voor langer dan een paar minuten. Op dit punt werkte het instinct kennelijk krachtiger dan de rede. En dan vraag je je af waarom het verstand, dat ons op de meest uiteenlopende momenten in het leven zo aardig weet te bedienen, zo slecht is opgewassen tegen de opgaven van de oude dag. Waarom in 's hemelsnaam geeft het, nu het erop aankomt, aan praktische zaken geen voorrang boven abstracte?

In Weddesteyn kreeg Iris' moeder een vaste plaats aan de tafel in Huiskamer West. Als je 's middags de trap opkwam, zag je haar meteen zitten. En zij zag je meteen de trap opkomen. Haar gezicht klaarde op en ze wuifde je alvast toe. Dan moest je nog door een deur, een paar meter over de gang en die huiskamer in. H r duurde deze tijd te lang. Als je je over haar heen boog voor een zoen, zat ze te trillen van opwinding. Soms overheerste de opluchting: 'Ach jongen, wat een zegen dat je me gevonden hebt.'

Soms de verwondering: 'Ha, die Koos, hoe wist jij nou waar ik was?'

De beklemmende strekking van deze wijze van begroeten is maar langzaam tot me doorgedrongen. Maar op den duur kun je er niet omheen: als ze denkt dat wij niet weten waar ze is, moet dat betekenen dat ze zelf niet weet waar ze is.

Zeker, we hadden ons wel vaker gerealiseerd dat ze niet wist waar ze was, maar nog niet eerder de volle omvang van de onzekerheid en bezorgdheid die daarvan het gevolg waren.

Waar ben ik. Dit cliché rolt iemand van de lippen die na een harde klap op het hoofd weer bij bewustzijn komt - en welbeschouwd is het de meest fundamentele vraag die een mens zichzelf kan stellen.

Niet wie ben ik. Wie ben ik heeft alleen maar betrekking op je gedachteleven. Wie ben ik - zolang je het woordje 'ik' kunt hanteren ligt het antwoord ook al in de vraag besloten.

Maar waar ben ik. Waar ben ik heeft betrekking op het leven zelf. Dit is, zo heb ik me altijd voorgesteld, de allesoverheersende vraag voor een dier dat in een onbekende omgeving wordt geplaatst. In die situatie gaat een dier me erg aan het hart. En nu: mijn schoonmoeder.

Goed, laat ik iets over mijzelf vertellen - dit heeft tenslotte wel wat van een krachtmeting tussen haar obsessies en de mijne.

Altijd als ik iets bij mensen zie wat ik ook bij dieren zie, heb ik het gevoel op de hardste kern van waarheid te stuiten. Dit is geen grap meer, denk ik dan, dit is biologie. (Biologie, de wetenschap van het leven. Het leven, de gemeenschappelijkheid van alles wat leeft.)

Waar ben ik - deze vraag in haar meest letterlijke, lichamelijke betekenis, Waar is mijn lichaam? Is mijn lichaam hier veilig? Kan mijn lichaam hier blijven of moet ik zorgen dat het hier wegkomt? En zo openbaart zich iets essentieels van ons bestaan: de in laatste instantie altijd weer noodlottige wisselwerking tussen het levende organisme en zijn omgeving.

'Natuurlijk weet ik waar u bent', zei ik. 'We weten allemaal waar u bent.'

'Dat moet je me dan gauw eens uitleggen, jongen', reageerde ze gejaagd. 'Want ik begrijp er niks meer van.'

Waar ben ik - als dit de meest fundamentele vraag is die een mens zichzelf kan stellen, is het ook de meest verschrikkelijke als je geen antwoord weet.

Stel je voor dat je de hele dag door deze vraag op je huid wordt gezeten, zonder ook maar een schijn van kans om haar af te schudden - wat een kwelling dat moet zijn.

Misschien is het daarom maar gelukkig dat deze mensen zo lang en diep kunnen slapen. Aangenomen dat ze in hun slaap veilig zijn, of zich daar tenminste veilig voelen.

In september was het ene weekend nog mooier dan het andere, telkens stralend najaarsweer.

Ik zat achter het huis te lezen. Toen ik opkeek zag ik een pad lopen. Hij kroop precies langs de staart van de hond, die bij de schutting lag te slapen.

Toen ik wéér opkeek was de pad verdwenen. Het leek werkelijk of hij, ergens onder die staart, bij Rekel naar binnen was gegaan. Een tamelijk forse pad overigens.

Uiteindelijk besloot ik poolshoogte te gaan nemen. Ik liep erheen, ging op mijn hurken zitten en tilde omzichtig een achterpoot op. Daar zat de pad met toegeknepen ogen tussen Rekels liezen. Nu zijn schuilplaats was ontdekt, zat er voor hem niets anders op dan zijn reis te vervolgen. Na verloop van tijd verdween hij opnieuw, dit keer in het struikgewas bij onze vijver.

De hond had van dit alles niets gemerkt. Die kan ook al zo lang en diep slapen. Ik vraag me weleens af of Alzheimer ook bij honden kan.

Toen kierde de poort open: Iris met haar moeder in de rolstoel. Ze zette haar bij de tuintafel en liep zelf door naar de keuken.

Ma in de zon, dat vond ze heerlijk.

'Net kwam hier een pad langs', zei ik, en daarna het hele verhaal dat ik zo-even uit de doeken heb gedaan. Dat vond ze buitengewoon amusant. Het idee dat een pad bij een hond in zijn hol zou kruipen!

Vervolgens kwam Iris weer naar buiten. Ze deponeerde een dienblad met thee en truffels en 'o op de tuintafel en ging op de bank zitten. Ze keek me aan. 'Nog iets bijzonders?'

'Nou', begon ik opnieuw, 'er kwam hier net een pad langs...'

'O ja?', vroeg haar moeder met oprechte belangstelling.

Iris begreep direct hoe de vork in de steel zat. We schoten beiden in de lach. want die momenten waren er ook: ze doet maar alsof. Ma speelt dat ze dement is.

Alzheimer - dan spreekt de literatuur over persoonlijkheidsveranderingen. Iris en ik discussiëren regelmatig over de vraag of dat bij haar moeder ook het geval is. Op het eerste gezicht zou je zeggen van wel.

Ze wordt almaar liever en aanhankelijker, almaar dankbaarder en makkelijker in de omgang. De scherpe kantjes, als die uitsteeksels waaraan een ander zich zou kunnen bezeren, zijn door de laatste stroomversnellingen weggeslepen. In de nevels van haar ouderdom neemt ze steeds meer de contouren aan van een ontroerend weerloos mensenkind. Wie dat tien jaar geleden had voorspeld, heeft haar slecht gekend.

Tegelijkertijd is ze nog onmiskenbaar zichzelf. In de kern heeft altijd een brok wilskracht en slimheid gezeten, en die zit er nog steeds. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze wat dat betreft alleen maar kernachtiger wordt. Het gaat te ver om te suggereren dat al die liefheid slechts een list is, er is geen enkele aanwijzing dat ze haar toestand zo doelgericht kan evalueren. Maar dat ze er baat bij heeft staat wel vast.

Ik herinner me dat we samen een kruiswoordraadsel zaten in te vullen in een bijzaaltje in het ziekenhuis. Opeens kwam er een vrouw tussenbeide. Die greep haar hand en boog zich naar haar over om zich duidelijk zicht- en verstaanbaar te maken: 'Mevrouw Ekkers! Ik zag u zitten en ik dacht: nu moet ik haar toch even gedag gaan zeggen.'

'Heel vriendelijk van u', riposteerde mijn schoonmoeder droogjes. 'Wat een enig kettinkje hebt u om.'

Dus dat ontwikkelde zich tot een buiten gewoon geanimeerd gesprek. Maar die vrouw was nog niet weg of ma streek haar rok glad. 'Moet ik die kennen?' mompelde ze korzelig (boos!) voor zich heen.

Zulke vluchtige bezoekjes zijn er wel vaker, mensen uit de wereld van de kerk of de bejaardenzorg, mensen die op het gebied van Alzheimer wat gewend moeten zijn. Iris oppert weleens voorzichtig dat haar moeder vrijwel niemand meer herkent. 'O, maar mij herkent ze wel', rea-geren ze dan. Ja, hoe zouden die vriendelijkheden en complimentjes die ma zo kwistig rondstrooit, ook níet persoonlijk bedoeld kunnen zijn?

Alles wordt minder - alles, behalve haar vermogen om mensen voor zich in te nemen.

Ze is beleefd. Ze zegt alstublieft en dank u wel. Ze is netjes. Ze trekt de rok over haar knieën als ze in de rolstoel wordt gezet. Ze is geestig. Ze grijpt elke kans aan om zichzelf en anderen op de hak te nemen. Haar stem steeds zwakker, haar grapjes steeds sterker.

Iedereen is gek op haar. Het komt natuurlijk wel goed van pas als iedereen gek op je is, als je zo afhankelijk bent.

De aanblik van een gebouw dat in een ruïne verandert, maakt iemand deelgenoot van de spanning tussen de twee polen van het verval, het kaatsspel tussen wat er al verdwenen is en wat er nog overeind staat.

De ene keer frappeert je het ene, de andere keer het andere. Dat hangt van de situatie en het moment af. Dat hangt in laatste instantie van jezelf af.

Iris' moeder kon nog een kruiswoordraadsel maken. Ze kon zelf een omschrijving opzoeken, ze kon zelf een antwoord bedenken en dat kon ze zelf invullen, horizontaal of verticaal. Je moest haar alleen telkens aansporen om de volgende stap te doen.

Je kon de krant nog met haar lezen. Als er narigheid was tussen de minister van Landbouw en de varkensboeren, kon je uitleggen dat het om het mestbeleid ging (en hoe slecht de varkens het ondertussen hadden), en dat begreep ze dan. En als je het vijf minuten later nog eens uitlegde, nou, dan begreep ze het wéér.

Je kon nog een gesprek met haar voeren over haar vader en moeder, die geen schijn van kans hadden om nog in leven te zijn, of over een pad die eigenaardig langs de staart van een slapende hond kwam gekropen.

Meer en meer, mocht je constateren, kwam dat wat zij nog kon in het teken van de taal te staan. Meer en meer waren het haar verbale kwaliteiten die je uitnodigden om haar niet alleen met ge negenheid maar ook met bewondering tegemoet te treden. Ook die handige nabloei van haar sociale vaardigheden - al die grapjes, beleefdheden en complimentjes - allemaal taal.

Zo diep, beweert de schrijver dan, wortelt de taal in ons bestaan, zo diep wortelde zij in ieder geval in het bestaan van zijn schoonmoeder.

Natuurlijk, woorden worden ons aangeleerd, woorden verschillen zelfs van taal tot taal, maar het vermogen om woorden te leren en de behoefte om woorden te gebruiken zijn net zo wezenlijk als de wonderlijke bewegingen waarmee het hart ons bloed hypnotiseert.

Ik kom zelf ook niet uit Woerden, ik kom uit Arnhem. Mochten in míjn bestaan de poorten van het volmaakte vergeten openzwaaien, dan zal het vast voor rondzwervingen over de Geitenkamp zijn. Ik geloof overigens niet dat je je bij de spookachtige verlichting van Alzheimer je jeugd steeds beter herinnert. Ik geloof dat je jeugd domweg het laatste is wat overblijft. Tot ook dat verbleekt en wegglipt in een duisternis die speciaal voor dit soort verdwijningen in stand wordt gehouden.

Ik kom uit Arnhem en ik ben van 1946, ik ben opgegroeid met foto's van de oorlog. Ik kan mij een huis voorstellen dat geheel bezweken is onder de last van de gebeurtenissen. Alleen de buitentrap staat nog overeind. Geruwde ijzeren treden voeren langs een verdwenen gevel naar een ver dwenen platje op een verdwenen verdieping. Zo zie ik het taalvermogen van mijn schoomoeder.

Ik vraag mij af of zij zich de woorden vader en moeder nog zal herinneren als ze haar vader en moeder vergeten is. Of andersom, of zij zich haar vader en moeder nog zal herinneren als ze deze woorden vergeten is.

Hoe zou je daar achter moeten komen?

Van de dokter mocht Iris' moeder eind september terug naar 't Oude Landt. Daar konden ze haar heel goed de zorg geven die ze nodig had. Ze deed geen gekke dingen, ze was niet incontinent, ze kon zichzelf wassen, ze kon zelf haar bovenkleren aandoen en ze kon weer een beetje lopen, beter zelfs dan voordat ze haar heup brak.

'Weet ma het al?', vroeg ik.

'Ik ben het haar gaan vertellen', zei Iris. 'Ze zat met een stagiaire ganzenbord te spelen. Ze vloog overeind toen ze me zag. Kom je me halen? Nee Ma, maar het duurt nu niet lang meer. Mag ik dan met jou mee? Nee Ma, je gaat terug naar 't Oude Landt. O kind, wat een zegen. Maar Ma, je weet toch wel dat dat niet in Den Haag is, hè? Dat geeft niks, als ik hier maar weg ben. Helemaal over haar toeren, huilen! En toen zijn we maar wat gaan zitten smikkelen uit haar trommeltje.'

's Avonds laat, de leeslampjes waren al uit, kwam Iris nog een keer overeind. 'Begrijp jij nou waarom ik me zo teleurgesteld voel?'

'Ja', zei ik, 'ik geloof wel dat ik dat begrijp.'

Dat was op een maandag.

Haar moeder terug naar 't Oude Landt. Gebak, bloemen, felicitaties. Iris: zo, dit is je eigen bedoeninkje weer. Het personeel: o, mevrouw Ekkers, wat fijn dat u terug bent. Ja, hoe vaak komt dat voor, dat iemand van die leeftijd met een gebroken heup naar het ziekenhuis wordt gebracht en weer terugkomt?

Ma zelf zat er wat verloren bij. Ze begreep het niet zo goed. Misschien voelde ze de koude hand van het alleen-zijn al op haar schouder.

Dat was op donderdag.

Op dinsdag brak ze haar andere heup.

Alles wat ze die zomer had meegemaakt, maakte ze nog eens mee in de herfst. Het ziekenhuis, de operatie, narcose, psychose en herstel, het begin van revalidatie. En opnieuw naar Weddesteyn, haar bed was nog vrij.

Inmiddels zijn we een maand of vier verder. Iris en haar broer hebben besloten dat hun moeder nu maar beter in Weddesteyn kan blijven. De nodige formaliteiten zijn vervuld. In haar spulletjes is een tweede grote schifting doorgevoerd. Eerst, toen ze uit Den Haag vertrok, kon alleen het meest waardevolle mee. Nu, voorgoed naar het verpleegtehuis, is alleen het meest persoon-lijke nog over.

Eind december hebben ze haar kamer in

't Oude Landt leeggehaald. Enkele meubelstukken en andere oudheden zijn retour Den Haag gegaan, naar het Venduehuis der Notarissen. Een deel ervan zal geveild worden. De datum van deze veiling is vastgesteld op 9 mei, uitgerekend haar negentigste verjaardag.

Je kunt nog steeds zeggen dat ze elke dag een beetje anders is, net als andere mensen. Het is ook geen rechtlijnig proces dat zich aan haar voltrekt. Bij haar achterwaartse vertrek uit ons winter paleis zijn er voortdurend momenten dat ze haar pas inhoudt of zelfs een schuifelend stapje naar voren probeert. Over het geheel genomen is ze nog steeds bezig om liever te worden. Haar verwarring wordt niet minder, maar schijnt haar wel minder angst aan te jagen. (Je ziet: er is een minimum aan begrip, of in ieder geval een minimum aan energie voor nodig om bang te zijn).

Haar stemming wordt vrediger, ze vergeet steeds meer.

Iris komt thuis en ze vertelt: 'Ma liet me haar handen zien. Ze wou dat ik haar nagels zou doen, maar ze kon niet op de woorden komen. Hè toe, zei ze, je weet wel.'

Persoonlijke geschiedenis