Ter Braak ontluisterd

Menno ter Braak (1902-1940) was de scherpste geest van de vooroorlogse generatie. De politicus zonder partij. Het intellectuele geweten van Nederland. De man die, alleen staande, zonder achterban, zonder leiders, zonder dogma's, persoonlijke keuzen durfde te maken. Zijn stellingname tegen het nationaal-socialisme en voor de vrijheid van denken is een lichtend voorbeeld van politieke zindelijkheid (tegenwoordig politieke correctheid genoemd). Altijd heb ik Ter Braak op een voetstuk geplaatst.

Is hij daar vanaf gevallen met de publicatie, deze week, van een nagelaten werk van zijn adept H.A. Gomperts, waarin wordt afgerekend met het antisemitisme en de diepgewortelde afkeer van Ter Braak van de rechten van de mens? Een kern van waarheid heet het boek, een verwijzing naar de opvatting van Ter Braak dat het antisemitisme `een kern van waarheid' bevat. Gomperts, overleden in 1998, toont aan dat zijn held en leermeester weliswaar een overtuigd tegenstander van het nationaal-socialisme was, maar tevens `even hartgrondig antisemiet'.

Nieuw is het niet echt, maar het is wel altijd verdrongen en verborgen. Bekend is dat de beroemde briefwisseling tussen Ter Braak en Du Perron door de bezorgers ervan gecensureerd is en gekuist van antisemitisme. Dr. J. Meijer stelde twintig jaar geleden al vast dat sommige passages van Ter Braak in Der Stürmer niet zouden hebben misstaan. Op het ogenblik werkt Léon Hanssen aan een biografie van Ter Braak. Ook hij vertelde me dat het boek van Gomperts geen onthullingen bevat. Eigenlijk wisten alle bewonderaars van Ter Braak altijd al wel dat de eigenzinnige denker niet is ontsnapt aan de waan van zijn tijd, waarin zelfs de meest vooraanstaande intellectuelen en kunstenaars van mening waren dat het `ras' waartoe zij behoorden superieur was aan andere `rassen'.

Waarom ben ik dan toch zo aangedaan? Ter Braak is een held van mijn jeugd. Dankzij een gedreven leraar Nederlands las ik op de middelbare school zijn grote essays (Het carnaval der burgers, Afscheid van Domineesland, Démasqué der schoonheid, Politicus zonder Partij en Het nationaal-socialisme als rancuneleer).De meeste indruk maakte Het verraad der vlaggen, over München 1938. Hier was iemand aan het woord die helemaal op eigen kracht aan de goede kant stond. Ter Braak was voor mij de verpersoonlijking van het door hemzelf gecreëerde ideaalbeeld van de `Honnête homme'. Zijn zelfmoord in mei 1940 interpreteerde ik als een verzetsdaad.

Tijdens mijn studie Nederlands nam mijn bewondering alleen maar toe, voor Ter Braak zowel als Du Perron, hun tijdschrift Forum, hun activiteiten voor het antifascistische Comité van Waakzaamheid. Hartgrondig onderschreef ik Jacques de Kadts mening dat het Verzameld werk van Ter Braak voor de naoorlogse generatie `iets noodzakelijks' was.

Het schokkende aan het boek van Gomperts zijn niet eens de geciteerde antisemitische oprispingen van Ter Braak, die op conto van de tijdgeest kunnen worden geschreven, maar het verband tussen zijn racisme en zijn fundamentele afkeer van de mensenrechten. Een afkeer die hij heeft kunnen handhaven terwijl hij tegelijkertijd politiek onrecht aanklaagde. Het idee dat mensen `gelijk in rechten geboren worden' wees hij af als stupide paskwil, psychologisch en fysiologisch niet houdbaar. Mensen verschillen innerlijk en uiterlijk. Waarom zouden zij dan aanspraak kunnen maken op gelijke rechten? Gomperts noemt dit de kern van Ter Braaks racisme: `de gewoonte om menselijke verschillen klakkeloos toe te schrijven aan rasverschillen, echte of imaginaire, waarmee de racist vooraan in zijn bewustzijn voortdurend bezig is. Met dit procédé maakt hij het zich gemakkelijk om mensen te verachten die hij kent en die hij niet kent (vooral die laatste groep) om zo een zelfverheffing zonder risico tot stand te brengen.'

Gomperts confronteert dit oordeel met Ter Braaks stellingname tegen het nationaal-socialisme en vraagt zich bijna wanhopig af: `Hoe is het mogelijk dat hij niet heeft kunnen inzien dat wat hij verfoeide (nationaal-socialisme) de schending was van de rechten (van de mens) die hij verachtte.'

Waarom mij dit zo aangrijpt, heeft twee redenen. De eerste is dat het antisemitisme en racisme van Ter Braak, door zijn zelfmoord en alles wat daarna is gebeurd, nooit echt ter discussie heeft kunnen staan. Altijd is verzuimd er echt mee af te rekenen, want op wie hadden naoorlogse generaties zich in de Nederlandse context dan nog kunnen oriënteren en beroepen? In zekere zin voel ik me verraden. De tweede reden is dat het denken in termen van aangeboren eigenschappen van meer- en minderwaardige groepen mensen de laatste tijd weer zo venijnig de kop opsteekt. Het zogenaamde `allochtonendebat' dreigt de kant uit te gaan van `erkenning', `bespreekbaar maken' van blanke, Westerse superioriteit.

In de Volkskrant van vrijdag las ik dat zelfs Dolph. Kohnstamm, die zoveel heeft betekend voor gelijke kansen in het onderwijs, hardop denkt in termen van `Westerse prestatiegenen' tegenover aangeboren achterlijkheid van niet-Westerse bevolkingsgroepen. Weliswaar wil hij allochtonen als individuen en niet als groep aanspreken, maar intussen: ,,Privé roepen we wel dat die groep dommer is'', zegt hij volgens de Volkskrant. Die `groepsdomheid' (ik hoor Ter Braaks echo) is ,,sinds de Tweede Wereldoorlog onbespreekbaar'' en dat taboe moet volgens Kohnstamm worden doorbroken. Laten we dit denken in aangeboren groepskenmerken, waar vervolgens een waardeoordeel aan wordt verbonden, bij zijn naam noemen: het is racisme. Het is de zwarte kant van Ter Braak.

Wat blijft er van de zuivere denker over? Veel, ondanks alles. Ter Braaks verdienste was – ook dat toont Gomperts aan – dat hij vocht met de racist in zichzelf. Hij was geen Roland Holst die schreef de joden zo te haten dat hij de bestaansreden van pogroms erkende. En hij was zeker geen J.C. Bloem, de latere NSB-sympathisant, die walgde van de moderne wereld wegens `die vervloekte pro-joodsheid die haast alle christenen slachtoffer maakt van de joodse wereldkongsi'.

Ondanks zijn elitedenken, superioriteisgevoel en rassenwaan koos Ter Braak voor het Comité van Waakzaamheid. Zou het daar niet weer eens tijd voor worden?