Suburbia voor beginners

Operatie-Vinex is een ingrijpende verandering van het aan-gezicht van Nederland. Luidkeels klinkt alweer het ritueel gekanker op de plannen. Maar hoe mooi of lelijk wordt er eigenlijk gebouwd? En hoe leren mensen samenleven op de maagdelijke gronden?

Voorspelbaar is de alom opklinkende klaagzang over de monotonie van de Vinex-wijk. Maar in werkelijkheid is er al in geen jaren zo gevarieerd gebouwd.

Vinex is een scheldwoord geworden. De Vinex-wijken, nu overal in Nederland in aanbouw, zijn al bestempeld tot de 'getto's van morgen'. In deze krant viel zelfs te lezen dat de eerste Vinex-wijk alweer wordt afgebroken. Dat was een beetje overdreven. Het tegendeel is eerder het geval: op veel Vinex-locaties, zoals bij Amersfoort, Tilburg, Arnhem, Den Bosch en Eindhoven, is nog weinig of niets te zien. Toch staat voor velen nu al vast dat de huizen die er gebouwd worden, over een jaar of dertig zullen worden gesloopt. 'Dat de Vinex-wijken voor een groot deel uit saaie laagbouw bestaan, is op lange termijn mogelijk juist een zegen', schreef het Tweed

Kamerlid Adri Duijvestein (PvdA), een van de grootste tegenstanders van de Vinex-uitbreidingen, vorig jaar in het Jaarboek Architectuur in Nederland. 'Niets sloopt zo makkelijk als laagbouw.'

Tien jaar geleden, toen Vinex werd uitgevonden, kon niemand vermoeden dat het zo'n vies woord zou worden. De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) kreeg algemene bijval. Uitgangspunt voor Vinex was de 'compacte stad': van de miljoen woningen die in de periode 1995-2015 zouden worden gebouwd, moesten er 635.000 komen in door de rijksoverheid aangewezen gebieden vlakbij de grote steden. Dat was om te verhinderen dat Nederland één huizenzee zou worden, zoals Los Angeles. Bovendien kon de compacte stad voorkomen dat het woon-werk-verkeer en de files uit de hand liepen. De meeste bewoners van Vinex-wijken zouden immers dichtbij hun werk in de grote steden wonen, zo was de verwachting.

Wat wil de woonconsument

De ambities van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra zijn groot. De 'Vinex-operatie' reduceert de bouw van het nieuwe Berlijn, algemeen bezongen als 'de grootste bouwput van Europa', tot een kabouter-onderneming. De grootste Vinex-wijken, zoals Leidsche Rijn bij Utrecht voor zo'n 60.000 inwoners, krijgen de omvang van een redelijk grote provinciestad. De kleinste, zoals Vossenbelt bij Hengelo, tellen nog altijd 3.000 woningen. Bovendien moeten de Vinex-wijken geen gewone buitenwijken worden, maar dienen ze een 'nieuwe stedelijkheid' te krijgen, al is onduidelijk wat dit nu precies is. Ook wat financiering betreft breken de Vinex-wijken met het verleden. Geheel in de privatiseringsgeest van de jaren negentig wil de overheid niet langer opdraaien voor de investeringen in de woningbouw, maar laat deze over aan de markt. Projectontwikkelaars weten beter wat 'woonconsumenten' willen, zo redeneren de ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer deemoedig.

Nu is het heel eenvoudig wat Neder-landse woonconsumenten willen. In grote meerderheid willen ze precies hetzelfde als Amerikaanse, Japanse of Duitse woonconsumenten: een vrijstaand huis of, als dat niet kan, een twee-onder-één-kap-huis met een tuin eromheen. Maar dit universele, ruimtevretende verlangen strookt niet met het idee van de compacte stad en de 'nieuwe stedelijkheid' van de Vinex-wijken. Bovendien wenst de overheid dat 30 procent van de Vinex-uitbreidingen bestaat uit sociale woningbouw. Dit is weliswaar aanzienlijk minder dan in de vroegere buitenwijken, maar nog altijd meer dan op een geheel vrije woningbouwmarkt.

Maar de macht om deze wensen gemakkelijk om te zetten in realiteit, is de gemeenten uit handen geslagen. De projectontwik- kelaars hebben, heel slim, massaal grond gekocht in de gebieden die in de Vierde Nota Extra waren aangewezen als Vinex-locaties. Gemeenten moeten nu met projectontwikkelaars onderhandelen over de precieze inrichting van de gebieden.

Zo zijn de Vinex-wijken de stadsuitbreidingen van het poldermodel geworden. Half-publiek, half-privaat zijn ze een typisch Nederlands compromis tussen tegengestelde wensen. Vinex-wijken

kennen niet de ruimte van een echte Ameri-kaanse suburb, maar ook niet de drukte van de grote stad. De meeste woningen zijn niet vrijstaand, maar meestal ook niet op elkaar gestapeld; rijtjeshuizen overheersen.

Bulldozers en heimachines

Ondanks de bijna unanieme kritiek dendert de Vinex-bouwmachine onstuitbaar voort. Op veel plekken in Nederland is het alsof een tijdmachine je terugwerpt naar de tijd van de wederopbouw. Bij vrijwel alle grote steden doen zich weer de heroïsche taferelen uit de jaren vijftig en zestig voor. Bulldozers, kranen en heimachines veranderen het Nederlandse landschap drastisch en voorgoed. Polders en waterplassen als het IJmeer bij Amsterdam worden razendsnel omgevormd in onafzienbare zandvlaktes, waarop vervolgens betonnen muren verschijnen die binnen enkele maanden zijn uitgegroeid tot woningblokken.

In Leidschenveen bij Leiden, Reitdiep bij Groningen, Stadshagen bij Zwolle en Ypenburg bij Den Haag zijn de eerste Vinex-woningen al een jaar of nog langer geleden betrokken. Hier wonen de Vinex-pioniers die alleen via een lange, modderige weg bij hun huizen kunnen komen in de nog kale straten die naar nergens leiden.

De eerste stukken van deze Vinex-wijken laten een gevarieerde architectuur zien. Bijna alle rijtjeshuizen, met op zijn minst een tuintje achter, zien er anders uit dan de archetypische bakstenen blokken met puntdaken. De inventiviteit van architecten is verbluffend. In Ypenburg bijvoorbeeld staan rijtjeshuizen waarvan niet alleen het dak maar ook de gevels zijn bekleed met leistenen in verschillende aardetinten, zodat ze doen denken aan prehistorische geschubde dieren. Of ze hebben iets schuin geplaatste houten erkers gekregen in per woning verschillende pastelkleuren. Of ze hebben lange gevels met schuine lijnen en verspringende daken. Soms zijn de rijtjeshuizen bedekt met zo'n overdadige rijkdom aan vormen en vormpjes dat ze doen verlangen naar eenvoudige, rustige straatwanden. Maar in ieder geval is het, anders dan in de stadsuitbreidingen van de jaren zestig, zeventig en tachtig, moeilijk om te verdwalen in een Vinex-wijk.

In verschillende Vinex-wijken wordt zelfs het aloude gegeven dat rijtjeshuizen bestaan uit een reeks dezelfde woningen, niet langer voor lief genomen. Zo bouwt het Amsterdamse architectenbureau Heren 5 in de polder mo delwijk bij Hoofddorp 309 woningen die naar wens kunnen worden uitgebreid met allerlei elementen. In Ypenburg heeft hetzelfde bureau verschillende typen woningen op steeds andere manieren in groepjes bij elkaar gezet en op schijnbaar willekeurige wijze over het landschap uitgestrooid.

Gezicht van het verleden

Ypenburg is een Vinex-wijk waar veel ruimte wordt gegeven aan jonge architecten-bureaus als Heren 5 en mvrdv die niet terugschrikken voor ongebruikelijke oplossingen voor oude vraagstukken in de woningbouw. Maar lang niet alle Vinex-

wijken zijn zo experimenteel. Brandevoort bijvoorbeeld, de door Leon Krier ontworpen Vinex-wijk bij Helmond, krijgt het karakter van een 'oud Brabants dorp', vol met kronkelige straatjes die worden omzoomd door gevarieerde, maar altijd traditionalistische, vertrouwde huizen.

Ook Houten-Zuid, een Vinex-wijk van 6000 woningen bij Houten, krijgt een gezicht dat naar het verleden is gekeerd. Het centrum wordt hier een Disney-achtig 'Romeins castellum', compleet met slotgracht. Daaromheen komen wijken met een oud-Hollands, Frans of Engels karakter.

Maar Reitdiep bij Groningen wordt dankzij computerbarokarchitect Kas Oosterhuis juist weer ultramodern. Hij ontwierp een wijk waar geen plaats is voor traditionele straatjes als in Brandevoort, maar zette de woningen bijeen in groepen met wervelende, organische vormen. In Reitdiep komt helemaal geen hoogbouw voor, maar in Schuytgraaf bij Arnhem, waar de bouw onlangs is begonnen, zal tien procent van alle woningen 'gestapeld' zijn. Architect Kees Christiaanse heeft Schuytgraaf in drie gebieden onderverdeeld: het eerste gebied wordt met 65 tot 80 woningen per hectare dichtbebouwd, het tweede krijgt 50 woningen per hectare en het derde zal met 25 woningen per hectare een ruime, open bebouwing krijgen. Daarnaast wil Christiaanse ook gebieden helemaal leeg laten, zodat Schuytgraaf doet denken aan een landschapspark met bebouwing. Iedere Vinex-wijk zijn Wilde-Wonen-buurtje.

De ontwerpen voor de wijken zijn zo gevarieerd dat moeilijk kan worden gesproken van dé Vinex-wijk. Toch vertonen de eerste voltooide stukken wel overeenkomsten. Vaste prik is een buurtje in de populaire 'jaren-dertig-stijl': bakstenen huizen met erkers, brede dakoverstekken en zacht hellende daken. Ook krijgt elke Vinex-wijk zijn 'Wilde-Wonen'-enclave, gebieden waar bewoners hun dure kavels naar eigen inzicht mogen bebouwen. Staatssecretaris Remkes (Volkshuisvesting) heeft zelfs aangedrongen op de uitgifte van meer vrij te bebouwen kavels in de Vinex-gebieden. In Stadshagen bij Zwolle staat het 'Wilde-Wonen'-buurtje middenin de wijk. De wilde woningen, drukke collages van vloekende vormen, staan er als een luxe woonwagenkamp tussen de rijtjeshuizen.

In vrijwel alle Vinex-wijken hebben de stedenbouwkundige ontwerpers geprobeerd de wijken een 'eigen identiteit' te geven door uit te gaan van het bestaande landschap. Hierin onderscheiden de nieuwe buitenwijken zich van de stadsuitbreidingen uit de jaren zestig, zeventig en tachtig, die van Groningen tot Maastricht, verbijsterend eenvormig zijn. Maar paradoxaal genoeg heeft deze nadruk op identiteit toch ook weer geleid tot een zekere gelijkvormigheid.

'Als er iets is waarin de ene locatie zich probeert te onderscheiden van de andere, en waarin ze tegelijkertijd ook allemaal op elkaar lijken, dan is het deze zoektocht naar een identiteit', schreef architect en onderzoeker Marc Visser al in 1998 in 20 Buiten-gewone steden. Parade van Vinex-locaties. 'Wonen aan het water is het meest favoriet, op ruime afstand gevolgd door 'wonen in het bos'. Het is opvallend hoeveel nieuwe plassen, extra waterlopen en grachten in de Vinex-locaties worden aangelegd om zo veel mogelijk te kunnen voldoen aan de vraag naar wonen aan het water.'

Geen café op de hoek

Wat nog meer in het oog springt is dat de Vinex-wijken toch weer in overweldigende mate woonwijken zijn geworden. Stedenbouwkundigen prediken de laatste jaren unaniem dat voor echte stedelijkheid een werkelijke menging van wonen, werken en ontspanning nodig is, maar hiervan is in de Vinex-wijken weinig te zien. 'Wonen, werken en recreëren' staat op het bord langs de A2 dat Leidsche Rijn aanprijst, maar in de helft van de Vinex-wijken is geen ruimte gereserveerd voor bedrijven. En in de andere helft worden de bedrijven, net als nu overal in Nederland, ondergebracht in getto's, die vaak dienen als geluidsbuffer tussen de snelwegen en de woningen.

Natuurlijk krijgen alle Vinex-wijken de nodige scholen, gezondheidscentra en winkelcentra, maar theaters, bioscopen en andere oorden van vertier zijn zeldzaam. Hierin verschillen de nieuwe buitenwijken niet van de oude: zoals het poldermodel eigenlijk niet meer is dan een hedendaagse variant op de aloude Nederlandse overlegeconomie, zo worden de wijken van het poldermodel hedendaagse versies van de oude vertrouwde buitenwijken.

De eenzijdigheid van de Vinex-wijken is niet alleen een late erfenis van de modernistische stedenbouw, die dicteert dat stedelijke functies strikt van elkaar moeten worden gescheiden. Het overheersende woonkarakter in de wijken heeft ook een economische oorzaak. Voor het ontstaan van een traditionele stad, waar woningen zijn gemengd met winkeltjes, cafés, restaurants en bedrijven, is een veel hogere dichtheid nodig dan de 20 tot 35 woningen per hectare in de Vinex-

wijken. In buitenwijken woont de bevolking eenvoudigweg te gespreid om het café op de hoek van genoeg klanten te voorzien. Het winkelcentrum en de shopping mall gehoorzamen aan de ijzeren economische wetten van suburbia. In voorsteden zoeken winkels, cafés, restaurants en bioscopen elkaar altijd op om samen voldoende publiek uit de wijde omgeving te trekken.

Bekende klaagzang over monotonie

Vooral het eenzijdige woonkarakter van de Vinex-wijken moet het in de kritiek ontgelden. De polderbuitenwijken wekken de illusie van variatie, maar zijn in wezen monotoon en saai, beweren de critici. Maar ook deze kritiek klinkt erg vertrouwd en is net zo oud als de buitenwijk zelf.

Al in de jaren vijftig trok de vorig jaar overleden architect Aldo van Eyck van leer tegen de 'mensonterende monotonie en massaliteit' van de toen nieuwe voorsteden. Elk volgend decennium werd zijn klaagzang tot vervelens toe herhaald. Zolang buitenwijken bestaan, hebben intellectuelen, architecten en critici daar minachting voor gekoesterd. In films en boeken worden ze steevast afgeschilderd als oorden van verveling, waartegen zelfs het beste huwelijk niet bestand is en waar ook de vrolijkste puber wegglijdt in verongelijkte lethargie.

Maar dit beeld strookt niet met de ervaringen van de buitenwijkbewoners zelf. Voor hen is de buitenwijk geen probleem. Zij klagen er zelden over. Ook de eerste Vinex-bewoners toonden zich vorig jaar in een onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Makelaars heel tevreden. Ze gaven hun woningen het cijfer 7,5. Alleen op het gebrek aan bergruimte hadden ze kritiek, maar zelfs aan hun nog modderige woonomgeving stoorden zij zich niet.

Critici probeerden de uitkomst van dit rapport te bagatelliseren door te beweren dat niemand natuurlijk kritiek levert op zijn pas opgeleverde, dure huis. Maar er is weinig reden om te twijfelen aan de oprechtheid van de tevreden buitenwijker. Dit bleek al twee jaar geleden uit het boek Buitenwijk, stedelijkheid op afstand. De belangrijkste auteurs, Arnold Reijndorp en Ivan Nio, beperkten zich niet tot rondrijden in Kattenbroek, Diemen-Noord, Prinsen-eiland, Toolenburg en Overkroeten-Noord, maar ze spraken ook met vele bewoners over hun dagelijks leven.

Buitenwijkbewoners, zo bleek, leiden een ander leven dan traditionele grote-stadsbewoners. De laatsten zijn gericht op het oude centrum waar zij hun vertier zoeken en gaan winkelen, maar buitenwijkers zijn er nauwelijks in geïnteresseerd. De oude stad is voor hen een van de vele mogelijke bestemmingen in een wijde omgeving. Zij beschouwen hun eigen huis en directe omgeving als het centrum. Vanuit deze uitvalsbasis trekken zij, uiteraard in hun auto, naar steeds andere plekken in de regio. Werken doen ze in een of ander bedrijvenpark dichtbij of juist ver van huis. Ze gaan winkelen in een nieuw winkelcentrum aan de rand van de stad of soms toch maar in het oude centrum. In hallen en op velden in vaak afgelegen gebieden sporten ze en uit eten gaan ze net zo lief in een Van der Valk-restaurant langs de snelweg. Ze leven, kortom, niet veel anders dan de bewoners van Los Angeles voor wie het vanzelf spreekt dat ze voor hun dagelijks leven op heel verschillende plekken in hun uitgestrekte metropool moeten zijn.

Stadsgedruis van junkies

Nederlandse buitenwijkers zijn al veel Amerikaanser dan de traditioneel Europese critici van de Vinex-wijken denken. Natuurlijk doet zich hier de volgende kip-ei-vraag voor: leven de buiten- en Vinex-

wijkers zo Amerikaans, omdat hun directe omgeving zo weinig heeft te bieden of zijn de Vinex-wijken zo eenzijdig, omdat de bewoners Amerikaans willen wonen? Een moeilijke kwestie. De meeste Vinex-wijkbewoners zullen geen bezwaar maken tegen wat meer stedelijke voorzieningen in hun wijk, al zullen ze geen enkele behoefte hebben aan het bijbehorende grote-stadsgedruis van junkies, gekken, zwervers en graffitispuiters. Maar één ding is zeker: uiteindelijk is de basis voor de buitenwijk het gegeven dat voor de meeste mensen een vrijstaand huis de ideale woning is. En hoeveel vrijstaande huizen of rijtjeshuizen er ook bij elkaar worden gezet, nooit zullen ze leiden tot iets wat ook maar lijkt op een traditioneel Europese stad.

Elders, zoals in Amerika en Nieuw-Zeeland, wordt het verlangen naar het vrijstaande huis niets in de weg gelegd. Daar bestaan de suburbs dan ook uit eindeloze zeeën van losse woningen. Maar in Nederland vindt de overheid nu al tientallen jaren lang dat het land te klein en te vol is om op grote schaal ruimte te bieden voor vrijstaande huizen. Het resultaat zijn eindeloze rijen rijtjeshuizen waar alle bewoners in ieder geval een tuintje hebben om te barbecuen.

In de Nederlandse overlegeconomie is het rijtjeshuis nog steeds het hoogst haal-bare voor de massa woningzoekenden. Wie dit typisch Nederlandse compromis aanvaardt, moet bij de Vinex-wijken vaststellen dat de rijtjeshuizen van het poldermodel zorgvuldiger, gevarieerder en beter zijn gebouwd dan alle voorgaande stadsuitbreidingen. Nog nooit was de Nederlandse buitenwijk zo mooi!

    • Bernard Hulsman