Stenen reuzen op transport

Hoe vervoerden de Rapanui hun metershoge, tonnen wegende beelden over de heuvels van Paaseiland? Op een houten slee, meent de Amerikaanse archeologe Jo Anne van Tilburg. En die slee werd voortgetrokken over een touwladder.

ZIJN OP Paaseiland ooit buitenaardse wezens gestrand die de lokale bevolking opdracht gaven om `robot-achtige' beelden te bouwen? Erich von Däniken beweert van wel. Of zijn de indrukwekkende beelden op het vulkanisch eiland een restant van Mu, een 50.000 jaar geleden verloren gegane paradijselijke beschaving? Anderen geloven juist in deze theorie.

Los van deze mysterieuze verklaringen, proberen sommige onderzoekers een meer wetenschappelijke verklaring te vinden voor de bijzondere cultuur op Paaseiland. Jo Anne van Tilburg, een Amerikaanse archeologe van de Universiteit van Californië in Los Angeles, is één van die wetenschappers. Zij heeft onder andere alle 886 bekende moai's beschreven, de beroemde metershoge beelden die met hun rug naar de zee langs de hele kustlijn staan. Ze is ook presidente van de Mana Foundation, die zich inzet voor behoud van de door het weer en toenemend toerisme bedreigde beelden. Dat zou je onwetenschappelijk kunnen noemen, maar dat is het niet, laat ze via email weten. ``Als de beelden verdwijnen kan ik geen wetenschap meer bedrijven.'

Van Tilburg heeft een experiment uitgevoerd dat licht werpt op de vraag hoe de beelden, die gemiddeld vier meter hoog zijn en twaalf ton wegen, vervoerd zouden kunnen zijn. Ze beschreef haar onderzoek onlangs in het Amerikaanse tijdschrift Archaeology. Volgens haar werden de beelden op een houten slee gelegd en dan via een soort touwladder voortgetrokken, soms over vele kilometers van heuvelachtig terrein. Om haar theorie te testen, voerde ze een experiment uit met een in beton gegoten model van een beeld dat bekend staat onder nummer 01/53. Volgens Van Tilburg is haar theorie aannemelijker dan menig andere. ``Sommige experimenten zijn slecht gedocumenteerd en niet herhaalbaar,' aldus Van Tilburg. De wetenschappelijke verantwoording van haar experiment verschijnt over ongeveer een jaar in een feestbundel voor de Amerikaanse antropoloog Clement W. Meighan.

Over de moai's is veel getheoretiseerd. Jacob Roggeveen had er zo zijn ideeën over, toen hij in 1722 als eerste westerling de beelden met eigen ogen zag. De Hollandse ontdekkingsreiziger in dienst van de West Indische Compagnie landde op 10 april en omdat het toevallig eerste paasdag was, noemde hij het eiland Paaseiland. Hij was meteen onder de indruk van de `bysondere hoog opgeregte steenenbeelden'. En vooral van het feit dat de plaatselijke bevolking hen rechtop had kunnen krijgen, want zij waren `ontbloot van swaer en dik hout om eenige machine te maaken, mitsgaders van kloec touwerck'. Toen Roggeveen twee dagen later vertrok, had hij het mysterie `opgelost'. Een beetje teleurgesteld noteert hij in zijn logboek dat de `verwondering cesseerde', toen ze een stuk steen van een beeld trokken. De beelden waren volgens hem gewoon geboetseerd van klei, waarin de makers kleine gladde keisteentjes hadden gestoken – hij had blijkbaar nog nooit lava gezien.

Paaseiland, of Rapa Nui zoals de huidige bewoners het noemen en iedereen die politiek correct wil zijn, is ongeveer even groot als Terschelling en ligt in een zuid-oostelijke uithoek van de Stille Oceaan. Chili, dat sinds 1888 het bewind voert, en Tahiti zijn de dichtstbijzijnde buren en liggen drieduizend kilometer verderop. Het eiland bleef daardoor lang onopgemerkt.

Begin twintigste eeuw is een expeditie langs geweest, maar pas in de jaren vijftig voerde Thor Heyerdahl met een team van Noorse archeologen de eerste wetenschappelijke opgravingen uit. Hij zocht (en vond naar zijn mening) bewijzen voor een oversteek van een pre-Inca cultuur uit Zuid-Amerika, die volgens hem aan de latere Rapanui-cultuur is vooraf gegaan. ``Heyerdahls opgravingen hebben een belangrijke impuls aan het onderzoek gegeven,' zegt Van Tilburg, die lang een fervent tegenstandster van de Noor en zijn theorieën is geweest, maar inmiddels ook zijn verdiensten erkent.

Van Tilburg, en de meeste andere archeologen, menen dat tussen 300 en 800 na Christus de eerste Polynesiërs op het eiland arriveerden. Hun oorsprong ligt in Zuidoost-Azië en Tonga en Samoa, vanwaar ze met vlotten en kano's met dubbele drijvers al eiland-hoppend de Stille Oceaan hebben bevolkt. Rond 1100 zou het gebruik zijn ontstaan om de moai's te maken. De beelden stonden op een ahu, een platform, en dienden om voorouders te vereren en het belang van een clan aan te geven. Ze komen bijna allemaal uit dezelfde groeve, de krater van de Rano Raraku. De vraag is hoe de Rapanui de metershoge en loodzware beelden over heuvelachtig terrein hebben vervoerd, soms wel 15 kilometer ver.

vorkvormige staak

De Oostenrijkse psycholoog Werner Wolf had daar in 1948 wel een antwoord op. De beelden waren in de groeve uitgehakt en een explosie had hen vervolgens keurig over het eiland verspreid. Heyerdahl waagde zich in 1955 als eerste aan een echt experiment met het transport van de beelden. Hij liet 78 tot 180 mensen (de meningen over het exacte aantal zijn verdeeld) een vier meter hoog origineel beeld voorttrekken op een vorkvormige staak. Het algemene oordeel over de gevolgde methode was: onhandig en niet overtuigend. Eind jaren tachtig waagde Heyerdahl een nieuwe poging, deze keer met de Tsjechische ingenieur Pavel Pavel, die ook bij Stonehenge had geëxperimenteerd. Uitgangspunt was een legende dat de beelden gelopen zouden hebben. Pavel ontwierp een constructie waarmee het mogelijk was met touwen een beeld een klein beetje te laten kantelen en vervolgens van de ene kant op de andere naar voren te laten `waggelen'.

Van Tilburg is niet onder de indruk van dit experiment. Ze somt een aantal redenen op waarom niet. ``Het experiment is niet herhaalbaar. De onderkant van het beeld is bij de test beschadigd geraakt. En de legende van de `lopende moai's' gaat, als je hem letterlijk wilt nemen, waarschijnlijk terug op een ander gebruik. Bij ceremonies voor overleden ouders voerden de Rapanui lange houten beelden mee, die op moai's leken en met touwen rechtop werden gehouden.'

Van Tilburg gaat ervan uit dat de Rapanui – afstammelingen van Polynesiërs – voor het transport van de beelden dezelfde technieken en vaardigheden gebruikten als de Polynesiërs bij de bouw van hun boten. Het idee stamt uit 1994. Voor het transport zouden de Rapnui een driehoekige slee gebruiken, gemaakt van twee lange boomstammen die in een V-vorm aan elkaar zijn gebonden. Het beeld ligt op de slee, ingesnoerd. Maximaal zeventig mensen trekken de slee voort over dwars geplaatste boomstammen.

Pollen-analyses door andere onderzoekers hebben inmiddels duidelijk gemaakt dat op Paaseiland vroeger een palmboomsoort en een eucalyptussoort groeiden. Tests met een stalen gewicht van 12 ton toonden aan dat beide boomsoorten de last van een beeld konden dragen. Alleen bleken ze niet als rollers te gebruiken, omdat ze niet op hun plaats bleven liggen als een last er over heen werd getrokken. Van Tilburg nam daarop haar toevlucht tot een `kanoladder': Polynesiërs gebruiken touwladders met boomstammen als treden om kano's bij rotsige kusten uit het water te trekken, zonder de kiel te beschadigen.

De experimenten werden in eerste instantie als computersimulatie uitgevoerd. Het geld voor een uitvoering in de praktijk ontbrak namelijk. Totdat het Amerikaanse televisieprogramma NOVA van WGBH in Boston financiële steun toezegde. Als wederdienst mocht de tv-zender een documentaire maken, die onlangs in Amerika is uitgezonden.

Het experiment, met op de slee een in beton gegoten kopie van beeld 01/53, was een succes. Nog geen vijftig mensen waren nodig om het beeld per trekbeurt vijf meter te verplaatsen. De onderliggende boomstammen van de kanoladder rolden dan wel niet, maar bleven wel keurig op hun plaats liggen. Bovendien bleek een pasta van bananenboomstronk en water een goed glijmiddel te zijn. Voor een afstand van negentig meter volstond nog geen vijftig seconden trektijd. ``Een transport over tien tot vijftien kilometer duurde vier tot zeven dagen,' denkt Van Tilburg.

De slee kwam ook goed van pas bij het rechtop plaatsen van het beeld op de ahu. Hij beschermde het beeld tegen de stokken die als hefbomen werden gebruikt en hij hield de pukao, het losse hoofddeksel van rode steen, dat honderd moai's dragen, keurig op zijn plaats.

Ondanks het succes, weet Van Tilburg, past bij het experiment, zoals bij ieder ander archeologisch experiment, één kanttekening: het is geen bewijs, het laat alleen zien dat het transport zo mogelijk was.