Oude dag

Als je jong bent is het een stuk makkelijker om leuk te zijn dan wanneer je oud bent. Niet dat je, als je oud bent, helemaal geen kans hebt om leuk te zijn, maar het vraagt wel een steeds grotere inspanning. Dit is een van de fundamentele onrechtvaardigheden van het leven.

Vorig jaar gingen bij ons in de buurt aan de lopende band oude houden dood. Nu wemelt het hier van de jonge.

Laatst kwamen we er een tegen op het jaagpad langs de Oude Rijn, een beginnende labrador. Onvoorstelbaar komisch. En daar hoefde hij niets voor te doen, het was genoeg dat hij op zijn achterwerk ging zitten om naar de eendjes te kijken.

Wat Rekel betreft: hij wordt vandaag zestien. Hij vertoont geen tekenen van ziekte, maar het beste is er wel vanaf. Hij is oud. Hij is moe. Hij slaapt alsof hij in coma ligt. Hij is doof. Soms komt hij je na als je de kamer uitgaat en dan staat hij zich op de gang met doffe verbazing af te vragen waar je opeens gebleven bent, terwijl je duidelijk hoorbaar de trap oploopt. Dat is niet grappig.

Hij is kortademig. Hij zakt door zijn achterpoten. Ooit waren die poten sterk genoeg om een haas te achtervolgen, of om uit stand op een tafeltje te springen (bij de Marokkaan in Groningen). Nu valt hij bijna ondersteboven als hij nog eens echt mannelijk probeert te piesen.

Als je met hém op het jaagpad bent en achterom kijkt, zie je een moedeloos voortsjokkende hond. Hij laat de kop hangen. Hij kucht. Hij heeft die tragische blik in de ogen van een wolf die verdreven wordt uit de roedel. En dan ben je nog maar vijf minuten van huis.

Toch: als hij ziet dat je je schoenen aantrekt, presenteert hij zich als een volwaardige hond, een hond die nog uren vooruit kan. Kwispelend. Rechtop. Gretig. Als hij vervolgens ziet dat je zijn riem pakt, moet hij gauw nog even naar de keuken om zijn etensbak te controleren. Daarna komt hij op een drafje naar de voordeur, wat gezien de gladheid van het linoleum een nogal hachelijke manier van doen is.

Dán moet ik om hem lachen, omdat hij doet alsof hij jong is.