Niet om de foto, maar om het gezicht

Ze signeerde vlijtig de nieuwe afdrukken van haar oude opnamen, ze praatte wat met bewonderaars en stak intussen de ene na de andere sigaret op. De Franse fotografe Gisèle Freund, in 1997 te gast op de fotobeurs Paris Photo, leek een eeuwig leven toebedeeld. Gisteren is ze dan toch, 91 jaar oud, overleden.

Ze leidde zo'n teruggetrokken bestaan dat menigeen op die beurs verbaasd was over haar nog aardse aanwezigheid.

,,Mijn foto's zijn niet bijzonder. Misschien heb ik de mensen anders gezien'', stelde Freund vast in een vraaggesprek met deze krant in 1998. En wat voor mensen! Blader door haar biografie en ontmoet James Joyce, Vita Sackville-West, Pierre Bonnard, Le Corbusier, Man Ray, Giacometti, Henri Moore, Marcel Duchamp. Ze kijken haar zelfs in een `close' close-up aan alsof er geen camera in de buurt was.

Zeer bekend is het portret van Virginia Woolf, die met open ogen lijkt te slapen, van Henri Matisse, gefotografeerd in de zee van warme kleuren die zijn salon is, van Evita Peron als vamp voor haar kapspiegel, en van James Joyce met zijn Ulysses-uitgeefster Sylvia Beach en vertaalster Adrienne Monnier in Shakespeare & Co., de Parijse boekwinkel waar iedereen vòòr de oorlog iedereen ontmoette.

Aan die korzelige Joyce, die maar niet op de foto wilde, zou ze twee fotoboeken wijden. En via Monnier maakte ze kennis met andere onuitwisbare schrijvers en beeldend kunstenaars van haar tijd.

Freund werkte naar eigen zeggen als `amateur' voor het foto-agentschap Magnum en voor de tijdschriften Life en Time. Niet de fotografie, maar het menselijk gezicht interesseerde haar.

Misschien verklaart dat de ongekunstelde charme van haar Parijse portretten. Of het nu Colette is, de met Freund bevriende André Malraux of Samuel Beckett: ze lijken eerder op gesprekspartners, verdiept in het antwoord op een diepzinnige vraag van de fotografe, dan op schrijvers die, zoals in deze tijd, nadrukkelijk en zelfbewust zichzelf tentoonstellen.

Na haar studie sociologie in Berlijn was de joodse Freund in 1933 voor de nazi's naar Parijs gevlucht. Om haar brood te verdienen trok ze op reportage. In 1936 vroeg Life haar in Engeland de gevolgen van lege mijnen en verlaten scheepswerven vast te leggen. Het blad wilde zo het contrast aanscherpen tussen de `gewone' mensen en het Britse koningshuis, koning Edward met name, en diens nieuwe geliefde, de gescheiden Amerikaanse Mrs. Simpson, die toen zwaar door de pers onder vuur werd genomen.

Het werd ongetwijfeld een legendarische Life-editie: de minzaam lachende dame in kostbaar mantelpakje en daarnaast de asgrauwe straten, de afbraakpanden en de in vodden geklede moeders met hun kleuters. Deze en andere navrante beelden ,,vonden de bladen niet altijd even leuk'',vertelde Freund: ,,Maar je moet doen wat waar is.''

In 1942 vluchtte ze opnieuw voor de nazi's, nu naar Argentinië. Ze kreeg weer opdrachten van tijdschriften, woonde enige tijd in de VS, reisde verder naar Mexico om er kunstenaars thuis en mensen op straat te portretteren, om zich uiteindelijk na de oorlog definitief in Parijs te vestigen.

In 1974 publiceerde ze Photographie et Société, een studie over geschiedenis en betekenis van de fotografie, waartoe Norbert Elias haar als studente al haar aangespoord. En in 1981 werd ze Frans staatsburger, eindelijk was ze de Française die ze zo lang had willen zijn. De toenmalige president Mitterrand liet haar zijn officiële staatsieportret maken. De vrouw die fotografie geen kunst maar een techniek vond, die vaker `een getuige' dan een foto-verslaggever heette, maar die steeds zoveel vertrouwen bood dat wie dan ook zich volstrekt thuisvoelde voor haar lens.