Naftaniel

Het artikel over de heer Ronny Naftaniel (Z 11 maart) heeft mijn irritatie over 's mans inhaligheid aangewakkerd; het zou mij niet verwonderen als hij latent aanwezige gevoelens van antisemitisme heeft versterkt.

Ik wil vooropstellen dat iedere persoon, die door toedoen van de staat schade heeft geleden, recht heeft op vergoeding van die schade. Het feit dat die vorderingen inmiddels zijn verjaard, doet niets af aan het morele recht om die schadevergoeding desondanks te ontvangen.

Maar om nu plotseling te spreken van `joodse tegoeden' – `wij proberen terug te krijgen, wat van ons is' komt mij geheel misplaatst voor. Het woord `joodse tegoeden' is baarlijke nonsens. Er zijn alleen maar joodse (rechts)personen, die schadevergoeding zouden dienen te ontvangen, maar dát morele recht kun je niet zo maar totaliseren om er dan het kaartje `joodse tegoeden' op te plakken.

Het tweede citaat baart mij veel meer zorgen. Het tracht een kunstmatige kloof te scheppen tussen de joodse gemeenschap en de Nederlandse samenleving, waar ook de joodse medeburgers deel van uitmaken. Het is een grove brutaliteit dat Naftaniel durft te spreken van `onze' en `wij'.

Schadevergoeding zou gegeven moeten worden aan elke persoon (of rechtspersoon) die zelf schade heeft geleden. Wat onze regering als schadervergoeding beschikbaar stelt, dient derhalve te worden uitgekeerd aan de personen of hun erven, niet aan zich thans opwerpende joodse organisaties, die zichzelf als rechthebbenden opstellen maar dat in feite niet zijn.

Ik betreur derhalve dat het bedrag van 400 miljoen, dat onze regering als schadevergoeding zal uitkeren, gedeeltelijk op plaatsen terecht zal komen waar dat geld naar mijn opvatting niet thuishoort. Al kan ik me voorstellen dat de regering — al was het alleen maar om van het gezeur af te zijn — tot haar laatste stap heeft besloten.