Mijn kamertje van 3,5 x 4

Marja Winters (83) snapt niets van oude mensen in verzorgingstehuizen die klagen dat ze zo weinig ruimte hebben. Een tv en een goed boek, meer heeft een mens toch niet nodig? Hij heeft immers geen zorgen meer over wasmachine of verwarming, geen rekeningen of contributies. `Kortom: een hemel op aarde.'

Het was zo de gewoonte in het flatgebouw waar ik woonde, dat we met enkele bewoners op de dinsdagmiddag een borrel gingen drinken in het hotel in de buurt. Er waren altijd meer dames dan heren, maar we kenden elkaar al jaren. Deze middag zou ik hun het nieuwtje vertellen. Niemand wist ervan en het zou een boel opschudding brengen.

Bij de tweede borrel zei ik: ,,Ik heb een nieuwtje.''

,,Oh, wat leuk!'' En ze waren allemaal klaarwakker.

,,Eh, ik ga verhuizen, ik ga hier weg!''

Stilte, de glazen werden neergezet. Langzaam kwam men uit de verdoving. ,,Verhuizen. Bij ons weg? Mens, waar wil je nog heen? Zo jong ben je óók weer niet meer. Ga je naar je kinderen?''

,,Ik ga naar een verzorgingshuis'', zei ik heel kalm.

Toen kwam de ontploffing: ,,Zo'n bejaardenhuis? Jij? Ben je helemaal geen type voor en hoeveel kamers krijg je daar?''

Ik zei heel rustig: ,,Eén kamer van 3,5 bij 4 meter.''

De glaasjes stonden nog steeds onaangeroerd. Iedereen was stomverbaasd. Haastig namen ze een slok. Mevrouw X., altijd opgetuigd (net een kerstboom): ,,Hoe kun je in godsnaam zó gaan wonen, terwijl je hier zo mooi woont? Ben je failliet of heb je veel gespeculeerd? Dit is toch niet normaal.''

Ongelovig keken ze me aan. Mijn man was enkele maanden geleden, na een lang ziekbed, overleden aan Alzheimer, en dat had ook de nodige sporen bij mij achtergelaten. Je zag ze denken: zou ze wel goed zijn? De kerstboom riep: ,,En je bed dan, dat staat toch niet ín die kamer?''

,,Tuurlijk niet'', riepen de anderen.

,,Jawel hoor'', zei ik ,,ook het bed staat in de kamer''. Ze namen gauw nog een slok. Toen opperde ik: ,,Jullie slapen toch ook wel eens op de bank in de kamer.''

Ik dronk m'n glaasje leeg en verdween. Mijn man zou gezegd hebben: ,,Nu trekken ze je de kroon van het hoofd.'' Dan zei ik altijd: ,,Ik heb geen kroon, er is dus ook niets te trekken.''

Ik stond al vijf jaar ingeschreven op advies van mijn arts en gaf het huis op in het oude stadje bij de IJssel, waar ik jaren had gewoond. We hadden afgesproken: wie overblijft, die gaat naar dat huis. Zo kreeg ik enkele maanden later een telefoontje dat er een kamer vrij was. Met m'n zoon, die aanvankelijk ook niet begreep wat ik wilde, ging ik kijken. Het was een aardige kamer aan een drukke straat, met een groot raam. De hele lucht lag voor me. Ik moest snel beslissen en dat deed ik. Ik ging behang uitzoeken, mijn lievelingskleur – Amazonegroen. Er werd geschilderd, een tapijt gelegd en het wachten was toen op mij.

Dagenlang kwamen ze nog, om te vragen wat ik nu met al die meubels ging doen; dat leuke zilvertafeltje en roze serviesje en die glazenkast – je kunt dat toch niet zomaar weg doen? Ze wisten niet dat ik al véél achter me had gelaten, dat er niet zoveel meer nodig was. Eenmaal beroofd van veel ná de Slag om Arnhem, wist ik dat alles maar tijdelijk is.

Er ging een vrachtwagen met spullen weg, de kinderen zochten wat uit en natuurlijk had ik ook nog iets nodig. Ik zag alles héél duidelijk! Dit beeld droeg ik al jaren mee in stilte en het kwam door een uitzending op de tv: Een vrouwelijke notaris had iets misdaan, fraude of zoiets, ze moest in ieder geval zitten voor een of twee jaar. Het stond uitvoerig in de courant en 's avonds liet men ons op tv de cel zien. De cel was 2,5 bij 3 meter, er stond een bed in, een tafeltje en een stoel, een lange plank tegen de muur met boeken, een schrijfmachine en een vaas met bloemen. Daarnaast een kastje voor de kleren, en daarop een kleine tv. In de andere hoek het toilet met wasbak. Dat was het. Ik heb mijn ogen uitgekeken en was hartstikke jaloers!

Díe vrouw had een leven, ze werd niet gestoord, kon lekker lezen, schrijven en naar muziek luisteren. Als je moe was ging je op bed liggen, zo stelde ik me voor, en... je kreeg ook nog eten en drinken, ze deden de was voor je, dat was toch het einde?

Dit beeld is nóóit meer bij me weggegaan. Geen zorgen meer over wasmachine of verwarming, geen rekeningen, geen contributies. Kortom: voor mij een hemel op aarde. Ik was wel eens op bezoek geweest bij iemand in een verzorgingstehuis en het leek me nog steeds niet gek.

Alles wat je lief had om je heen en verzorgd worden, de kwalen neem je dan op de koop toe. Hoe men ook klaagde over deze huizen, overal werd geklaagd, ik zag het voor me. Ik tekende ervoor.

Wanneer je over de tachtig bent en de klachten komen en de aftakeling wordt duidelijk, dan wordt het werkelijkheid. Al is het koppie nog vrij goed, je mág niet meer lachen om Youp. Terwijl ik dan dubbel lig. En voetballen? Daar ben je nu toch te oud voor? Maar ik kijk zo graag en heb ook mijn eigen clubje: PSV. Waarom? Er zullen vroeger wel eens leuke knullen bij geweest zijn, ik weet het niet, maar het is zo. ,,Oma-voetbal'' noemen m'n kleinzoons me. Zondagen zijn vreselijk, vroeger en ook nu ik oud ben. Mijn vrolijkheid begint op zondagavond, ik zie het nut niet in van zo'n saaie dag.

Op school leerde ik vroeger vlug schrijven en rekenen. Maar zoveel van wat je leren moest had geen nut, dacht ik. Wat moet je ermee als getrouwde vrouw? Oliedom weet ik nu! De Franse lerares kwam in de pauze altijd langszij: ,,Ken je de les nog niet?''

In mijn volgende leven wil ik in Frankrijk herboren worden en daar leven, dan heb ik dat Frans ook meteen onder de knie. ,,Geloof jij dan dat je weer komt'', vraagt men dan schuchter. ,,Nou en of en het is ook niet de eerste keer dat ik hier nu ben.'' Zo wens ik me in Frankrijk, liever niet in het zuiden, ik ben niet zo dol op die eeuwige blauwe luchten en blanke stranden. Een beetje worstelen met de natuur vind ik fijn, daarna komt altijd de ontlading. `Stormy Weather' zong Josephine Baker zo mooi.

Stormen heb ik wel gehad. Dubbeltjes tellen en met guldens smijten. Van grote huizen naar piepkleine behuizingen, in de Noordzee pootje baden en heerlijk zwemmen in de baai van Acapulco. Verlangen naar de Hollandse zuurkool en naar de Moskouse nacht op een terras met lekkere hapjes.

Dat is voorbij. Al bijna twee jaar woon ik nu in m'n kamertje. Wat me lief en dierbaar is, hangt of staat er. Ik kan weer uren ongestoord lezen en de hele opera Norma beluisteren. Ik heb zelden bezoek, maar dat deert me niet. Het renpaard is uitgeblust en heeft nu een rustige stal gevonden, waar het heerlijk is en zij goed verzorgd wordt.

Buiten mijn kamer is het vaak triest. Daar rollen de stoelen, lopen oude mensen gebogen langs de leuning, ze worden gevoed en gewassen en dit alles staat mij misschien ook te wachten. Dat kan morgen zijn, of over een jaar. Huize Elisabeth is nog een beetje een oud huis, het past bij ons oude mensen. Er wordt over gesproken de kamers te vergroten. Dat moet van Den Haag. Voor mij hoeft dat niet. Laten ze dat geld alsjeblieft besteden aan zoveel mensen, die verlangen naar rust en niet op een klein kamertje mogen leven in de winter van hun leven.

Mevrouw Borst moet eens onaangekondigd een bezoek brengen aan een oud en een nieuw bejaarden- of verzorgingshuis. Dan zal ze ontdekken dat, of je nu rijk of arm bent, je als bejaarde slechts één wens hebt: rust en privacy. Dit kan in een nieuwe moderne kamer met véél luxe (wat ook meer personeel vraagt). Het kan ook uitstekend in kleinere kamers, waar iedereen nog wat van zijn geliefde spulletjes om zich heen kan hebben.

Wanneer men over de tachtig is, dan bevindt men zich in de wachtkamer – leuk of niet leuk. Dat feit ligt er en men moet afstand nemen van alles wat men niet meer gebruikt. Meestal heeft men een overvloed aan glaswerk, serviesgoed, zilver, linnengoed en van allerlei andere zaken die niet meer noodzakelijk zijn. Geef dit weg met de warme hand!

Nu weet u nog aan wie u het geeft. Wat heb je aan luxe en grote kamers, wanneer je niet meer lopen kunt of je een ziekte hebt. Rust en privacy is de enige luxe die men kan hebben. Gun dat oude mensen. Die grote kostbare verpleeghuizen en verzorgingshuizen kunnen heel wat aangenamer, als men de oude mens in zijn waarde laat en z'n eigen kamertje geeft. Een kleine tv, een goede radio en een goed boek zijn de dingen, die waardevol zijn, aangevuld met een paar lieve dingen en de kamer is compleet.

Een mens kan zo rijk zijn met een kleine kamer, met een bel voor nood. Ook hier is de hulp te weinig en is er een tekort aan alles, maar iedereen doet z'n best en het blijft vredig.

Nu zou ik een kroon willen dragen, ik voel mij rijk, zonder zorgen. En 's avonds voor ik de gordijnen sluit, zie ik de sterren stralen en kijk ik naar de volle maan. Ik ga zo naar bed in m'n kamertje van drieënhalf bij vier meter.

Onder het pseudoniem Marja Winters schreef Geertruitje de Zwart-Hijink in de jaren zestig en zeventig voor het damesblad Prinses. Ze was de eerste journaliste die na de bruiloft van Beatrix Drakenstein bezocht. Haar eerste verhaal publiceerde ze op 18-jarige leeftijd in het Handelsblad. Vanuit de bus van Arnhem naar Doesburg zag ze hoe een vrouw voor haar man knielde. Thuisgekomen schreef ze daar een verhaal over dat ze naar de krant stuurde. Na een operatie verliet ze de journalistiek. Ze begon een nieuwe carrière in de verzorging en werd in 1968 benoemd tot directrice van een bejaardentehuis.