Marks of Marx

In alle schaaktijdschriften van de Sovjet-Unie zag je de leuze: `Schaken is het gymnasium van de geest – V.I. Lenin.' Het woord gymnasium betekent hier ongeveer wat het bij de oude Grieken betekende, fitnessclub.

Het was natuurlijk een prachtig argument bij de propaganda voor het schaken. Wie zou Lenin durven tegenspreken? Maar vorig jaar onthulde Genna Sosonko in New in Chess dat de leuze helemaal niet van Lenin was, maar van de Russische schaakmeester Jakov Rochlin, die om propagandistische redenen de naam van Lenin er aan had verbonden.

Handig van Rochlin. Ook een beetje riskant, zou je denken. Als het uit zou komen dat iemand zo oneerbiedig met het werk van Lenin omsprong, dan zwaaide er wat. Maar de werken van Lenin stonden nog niet op computerschijfjes met handige zoekmechanismen en niemand was zo gek dat hij alle delen door zou vlooien om te kijken of die uitspraak er wel echt in stond.

Gelukkig was ook niemand er achter gekomen dat in het Engelse tijdschrift Chess Studies in 1803 over het schaakspel geschreven werd: ,,It is, in its essential tendency, a gymnasium of the mind.'' Niet alleen dat Rochlin Lenin voor zijn eigen karretje had gespannen, hij had hem ook nog plagiaat laten plegen. Aan de schaakliefde van Lenin hoeft overigens niet getwijfeld te worden, en ook niet aan die van aartsvader Karl Marx. Na zijn dood beschreef zijn strijdmakker Wilhelm Liebknecht hoe woedend Marx kon zijn als hij een schaakpartij verloren had.

In Londen, waar Marx en andere politieke vluchtelingen zich omstreeks 1850 hadden teruggetrokken, kondigde Marx een keer triomfantelijk aan dat hij een nieuwe zet had gevonden waarmee hij iedereen zou verslaan, en in eerste instantie gebeurde dat ook. Tot Liebknecht het juiste tegengif vond en Marx versloeg. Marx vroeg om revanche, de volgende morgen bij hem thuis. Toen Liebknecht daar kwam had de vrouw van Marx zich teruggetrokken en `Lenchen' (een dienstmeisje?) keek onvriendelijk. Marx pakte meteen het schaakbord. Hij had 's nachts een verbetering bedacht. De eerste partij werd gewonnen door Marx, die meteen in een goed humeur raakte en broodjes en iets te drinken liet komen. De volgende partij won Liebknecht.

Ze gingen tot middernacht door tot Lenchen er een eind aan maakte. De volgende ochtend werd Liebknecht opgezocht door Lenchen, die hem zei dat mevrouw Marx hem dringend verzocht om 's avonds niet meer met haar man te schaken. Karl was onuitstaanbaar als hij verloren had.

In de schaakliteratuur is één partij van Marx overgeleverd.

Wit Karl Marx (?)-zwart Meyer

1. e2-e4 e7-e5 2. f2-f4 e5xf4 3. Pg1-f3 g7-g5 4. Lf1-c4 g5-g4 5. 0-0 Het Muziogambiet, dat toen erg populair was. 5...g4xf3 6. Dd1xf3 Dd8-f6 7. e4-e5 Df6xe5 8. d2-d3 Lf8-h6 9. Pb1-c3 Pg8-e7 10. Lc1-d2 Pb8-c6 11. Ta1-e1 De5-f5 Voor het eerst gespeeld in Kolisch-L. Paulsen, Londen 1861. 12. Pc3-d5 Ke8-d8 13. Ld2-c3 Door Tsjigorin met succes in 1874 gespeeld, maar later ging men over op 13. De2. 13...Th8-g8 14. Lc3-f6 Nauwkeuriger 14. Txe7 zoals in Mackenzie-N.N. New York 1883. 14...Lh6-g5 15. Lf6xg5 Df5xg5 16. Pd5xf4 Pc6-e5 Na 16...Pd4 17. Df2 Pe6 zou wit niet genoeg voor zijn stuk hebben. 17. Df3-e4 d7-d6 18. h2-h4 Dg5-g4 En hier was 18...Dg7 sterker.

19. Lc4xf7 Tg8-f8 20. Lf7-h5 Dg4-g7 21. d3-d4 Pe5-c6 22. c2-c3 a7-a5 23. Pf4-e6+ Lc8xe6 24. Tf1xf8+ Dg7xf8 25. De4xe6 Ta8-a6 26. Te1-f1 Df8-g7 27. Lh5-g4 Pc6-b8 28. Tf1-f7 Zwart gaf op.

Een partij waar een marxist zich niet voor hoeft te schamen. Marx offert onmaterialistisch een stuk en blijkt behoorlijk op de hoogte van de openingstheorie. Al speelt hij niet foutloos, hij voert de aanval met verve.

Maar werd de partij echt door Marx gespeeld?

Aan het Duitse kwartaalschrift Kaissiber heb ik hier al vaak iets ontleend, omdat het anders is dan andere. In het eerste nummer van dit jaar doet hoofdredacteur Stefan Bücker in een artikel Der Murks mit Marx (de makke met Marx) verslag van een onderzoek naar de echtheid van de partij van Marx. Was die niet veel te goed gespeeld? Liebknecht had geschreven dat Marx goed kon dammen, maar slecht schaken. Hoe kon Marx zo goed op de hoogte zijn van de theorie van het Muziogambiet?

Terug naar de bronnen. Toen de partij in 1926 in een Russisch tijdschrift opdook schreef de redactie nog eerlijk dat de bron haar niet bekend was, maar dat werd later vergeten.

Met hulp van andere schaakvorsers vond Bücker dat de Bilguer van 1916, de openingsbijbel van die tijd, de openingszetten van de partij geeft met de aantekening: ,,Gentlemans Journal 1871, blz 218, merkt bij een partij Marks-Meyer op dat 13...Tf8 beter is.'' Een eerdere uitgave van de Bilguer uit 1873 was nog nauwkeuriger en gaf aan dat de zwartspeler H. Meyer was.

Die H. Meyer is Bücker bekend: het moet de probleemcomponist Heinrich Meyer zijn geweest, die omstreeks 1870 van Hannover naar Londen verhuisde.

Bücker komt tot de conclusie dat de witspeler niet Karl Marx is geweest, maar Edward Marks of Mark Marks, wie dat ook mogen zijn.

Hij heeft waarschijnlijk gelijk, maar er blijven twijfels. In de recent verschenen biografie Karl Marx schrijft Francis Wheen dat Marx in 1867, toen hij in Duitsland was om de drukproeven van Das Kapital te corrigeren, de partij op een feestje bij Neumann thuis speelde.

Wheen denkt dat hij, met veel moeite en met hulp van het Karl Marx studiecentrum in Trier, als eerste de partijnotatie heeft gepubliceerd, die in werkelijkheid in vele tijdschriften en boeken is afgedrukt. Dat maakt zijn geloofwaardigheid niet groter. Maar aan de andere kant moet zijn opgave van plaats en tijd toch ergens op gebaseerd zijn. Ik zal het aan Bücker vragen, die er ongetwijfeld een grondig onderzoek naar zal doen.

Er is ook nog een partijfragment dat aan Marx is toegeschreven, maar daarvan was al lang bekend dat het ten onrechte was.

Wit Neuman-zwart Marx (??)

Zwart kondigde mat in drie aan, te beginnen met 1...Dd2-f2+.

Bücker citeert de Deutsche Schachzeitung uit 1869: ,,Uit een door G.R. Neuman (wit) met voorgift van een paard tegen Mark Marks uit Londen gespeelde partij.'' Daar is die Marks weer. In Russische letters is er tussen hem en Marx geen verschil en het valt te begrijpen dat Sovjet-schaakschrijvers het fragment gretig aan Marx toeschreven, totdat zij in 1964 door N. Sacharov in het Bulletin van de Centrale Schaakclub op hun vergissing werden gewezen.