Man van smarten

Straatslijpen. Mijlen en mijlen lopen. Kijken. Zoeken naar een onderwerp. Fotograaf Peter Martens maakte beelden als mokerslagen. Vandaag begint in de Kunsthal in Rotterdam een overzichtstentoonstelling van zijn werk.

'Waarom hij wel en ik niet, denk ik als ik iemand in de ellende zie. Jij kan het morgen zijn.'

Toen Peter Martens in het begin van de jaren zeventig Amerika ontdekte, eigende hij zich het continent meteen even snel toe als Vespucci en Columbus voor hem. Amerika werd zijn domein: het land waarin hij op grote schaal de onderwerpen vond die hem als fotojournalist obsedeerden.

Martens' talloze reizen naar de States en met name naar New York hebben foto's opgeleverd die geen tekst en uitleg nodig hebben, geen onderschrift zelfs. Het zijn beelden als mokerslagen, hard en direct, beelden die voor zichzelf spreken, met een zeggingskracht die bij vlagen onthutsend en ontzagwekkend is. Peter Martens creëerde een haast monolitisch oeuvre dat aan zichzelf genoeg heeft, terwijl het tegelijkertijd dwingende vragen oproept over de wereld waarin we leven.

Van de totstandkoming van een groot deel van dat oeuvre was ik getuige, aangezien ik Peter bijna tien jaar als verslaggeefster op zijn tochten vergezelde. Ik stond er zogezegd met mijn neus bovenop, ik was deelgenoot van zijn keuzes, dilemma's en drijfveren. Al doende leerde ik van hem hoe je journalistiek behoort te bedrijven: 'Met een open oog en een warm hart'. En ik leerde van hem dat je iedereen altijd alles mag vragen en dat je mensen in iedere denkbare omstandigheid mag laten zien, zolang hun lot je maar wezenlijk interesseert en je hen met respect tegemoet treedt.

Voorkeur voor louche hotelletjes

Een reis met Peter Martens begon met twee vaste strijdpunten. Zelf nam hij voor een trip van vier tot zes weken nooit meer lijfgoed mee dan paste in het zijvakje van de oude loodgieterstas waarin hij zijn camera's vervoerde. Dat ik een hele koffer meezeulde, terwijl ik in zijn ogen gemakkelijk kon volstaan met een plastic zak waarin één verschoning, een opschrijfboekje en een pen, dat bleef hem jaar in, jaar uit een doorn in het oog.

Ook over onze verblijfplaats konden wij bitter strijden. Peter had een voorkeur voor morsige, louche hotelletjes in ongure buurten: dan zaten we lekker dicht bij ons werk. Hij had niet de geringste behoefte om na gedane arbeid even afstand te nemen. Een prettig onderkomen, een schoon bed, een bad: allemaal overbodige luxe.

Deze onthechte levenshouding paarde hij aan een ordelijkheid die aan het maniakale grensde. De luttele gebruiksvoorwerpen die hij bij zich had moesten volgens een vast systeem worden gerangschikt, kledingstukken werden op ronduit rituele wijze uitgeklopt, gelucht en opgevouwen, camera's minimaal twintig keer per dag schoongemaakt. Het duurde lang eer tot me doordrong dat er een logisch verband was tussen de schaarste van Peters aardse bezittingen en de grote zorg die hij eraan besteedde: in dat weinig eisende lichaam van hem huisde eenvoudig de ziel van een shoppingbag-lady, wakend over haar tassen.

Misschien kostte de identificatie met verliezers en verschoppelingen hem mede daardoor zo weinig moeite. Die identificatie eiste hij ook van anderen. In interviews zei hij vaak dat hij met zijn foto's van mensen aan het einde van hun mogelijkheden, zijn foto's van daklozen, wanhopigen en waanzinnigen, op de toeschouwer het gevoel wilde overbrengen dat die daar zelf had kunnen zitten: 'Ik denk voortdurend: straks zit ik misschien in die rolstoel. Eerlijk waar, daar ben ik vrijwel altijd mee bezig. Echt mee bézig. Waarom hij wel en ik niet, denk ik als ik iemand in de ellende zie. Jij kan het morgen zijn. Of iemand van wie je houdt.'

Die betrokkenheid, die nooit in sentimentaliteit of gratuit medelijden ontaardde, heeft het werk van Peter Martens zijn onontkoombaarheid maar ook zijn integriteit verleend. Het is niet de gefotografeerde die op zijn foto's te kijk staat, hoe schokkend en mensonterend diens omstandigheden soms ook zijn, het zijn de omstandigheden die worden aangeklaagd.

Onder het hol van de superrijken

Wat we deden als we in Amerika werkten? Straatslijpen. Mijlen en mijlen lopen. Kijken. Zoeken naar een onderwerp. Kletsen met taxichauffeurs: 'Gouwen kerels'. 's Avonds laat, 's ochtends vroeg, en maar ouwehoeren. Peter gekleed alsof hij één seconde daarvoor nog in een oorlogsgebied had gezeten, en ik sluikharig, in Indiase katoen, het opschrijfboekje plakkend aan mijn handen in de warme, vochtige nacht.

Die chauffeurs barstten van de goede adviezen. Zoals de tip altijd een paar dollar op zak te hebben voor het geval je een mugger tegen het lijf liep: had je niets bij je, dan was de kans veel groter dat ze je overhoop staken. Een paar dollar leek Peter te veel, maar vijftig cent wilde hij wel bij zich dragen. Meer dan eens kwam hij zonder die vijftig cent in het hotel terug, nog wel geheel behangen met zijn camera's: 'Ze snapten wel dat ik die nog nodig had.'

En toen op een keer, midden in de nacht, een taxichauffeur die terloops vertelde dat er onder het hol van de superrijken, het Waldorf Astoria Hotel, menselijke ratten woonden, tussen de rioleringsbuizen en de subway in. In een van de vier reusachtige muren van het hotel zou een gouden deur zijn, die toegang gaf tot het ondergrondse domein van deze paria's.

Wij wisten genoeg.

Vele malen moesten we om het Waldorf Astoria heenlopen, dat een heel stratenblok beslaat, voordat we iets zagen dat men met enige goede wil zou kunnen aanzien voor een bijzonder vale gouden deur. We voelden eraan: hij was open. Pal erachter boorde zich een peilloze trap het donker in. Bijgestaan door het vlammetje van mijn aansteker daalden we af.

Op de een of andere wijze vormt dat tripje naar de onderwereld de apotheose van mijn herinneringen aan Peter. Het was de tegenstelling die hem fascineerde, hoe navranter hoe beter, en hier

hadden we er een van formaat: enerzijds het getinkel van cham-

pagneglazen en juwelen, de blote, weldoorvoede schouders, de

elegant geserveerde maaltijden, de kroonluchters - en pal daar-onder, in het duister, de verworpenen der aarde.

Dit was precies het soort situatie waarover Peter zich mateloos kon opwinden en die in zijn ogen illustreerde dat de mens zijn naaste bijna onvermijdelijk tot wolf wordt. Maar het was ook een spannende situatie. En Peter Martens wond er nooit doekjes om dat dat aspect van zijn werk hem zeker bekoorde. 'Ik ben geen heilig boontje', zei hij, als men hem te nadrukkelijk bewierookte als 'de fotograaf van sociale wantoestanden'. Ik weet zeker dat het hem niet onverschillig liet dat sommigen hem een onvoorwaardelijk engagement toedichtten, maar bepaalde dingen vond hij, op jongensachtige wijze, nu eenmaal ook gewoon machtig om te doen. Zoals midden in de nacht afdalen naar onbekende krochten onder het Waldorf Astoria Hotel. En dat zei hij dan ook.

Zweten van compassie

Wat aan zijn foto's niet op het eerste gezicht valt af te lezen, is dat Peter Martens een ongewoon zachtmoedige, vriendelijke en erudiete man was met een buitensporige hang naar gezelligheid. Hij was iemand van poffertjes en appelgebak. Op zijn atelier in een oude Rotterdamse school stond een drumstel waarop hij graag speelde, bij lome Charlie Parker-grammofoonplaten. Daar bewaarde hij ook de souvenirs van zijn reizen, vreemde vodjes en trivia, zoals het visitekaartje van Honeysuckle Divine, die we tegenkwamen op het eerste Internationale Hoerencongres in Washington, een kaartje met een fotootje waarop Honeysuckle haar geslachtsdelen insmeert met pindakaas van het merk Skippy. Zijn foto's bewaarde Peter met religieuze zorg in oude, grote, oranje Agfa-dozen.

Hij was ontwapenend en innemend, en

velen vroegen zich enigszins verbijsterd af hoe zo'n aardige man zulke gruwelijke foto's kon maken. Toch ligt het antwoord nogal voor de hand: alleen een wezenlijk goedaardig mens zal zich het

lot van anderen aantrekken en willen getuigen van het onrecht van deze wereld.

In dat uitgewoonde pand in Rotterdam, dat hij met een aantal kunstenaars deelde, was uiteraard ook Martens' doka. En in die doka, zo vertelde hij me eens, zag hij soms pas voor het eerst 'echt' wat hij had gefotografeerd. Op locatie won zijn vakmatig oog het van zijn betrokkenheid, en zodra hij door zijn lens keek dacht hij nuchter aan zijn kadrering, het licht, de compositie: hij wist precies op welk beeld hij uit was. Zo en niet anders. Er was nooit iets toevalligs aan zijn foto's. Wie ze bekijkt zal dan ook vaak getroffen worden door de welhaast klassieke compositie ervan.

Er is één foto die me bijzonder dierbaar is: die van een voormalige soldaat in een van de Veterans Administration Hospitals. Hij heeft geen benen meer. Hij ligt op een met mensonvriendelijk rubber afgedekt bed en heft, heel geconcentreerd, met beide handen gewichten. De lijnen van die foto, de vlakverdeling, ze zijn, in tegenstelling tot het verminkte lichaam dat hier centraal staat, zo mooi dat het bijna luguber is.

Voor in het beeld, maar toch als terloops, staat de rolstoel waarvoor deze oudstrijder zijn armspieren in conditie moet houden. En met dat detail tilt Martens de foto zoals zo vaak naar een ander niveau: hij laat niet alleen een getroffene zien, hij laat ook zien hoe iemand met een verwoest bestaan toch verder gaat. Wat betreft de onuitroeibare vitaliteit van mensen was Peter een enorme optimist.

In maatschappijen, systemen en -ismen had hij minder vertrouwen. Wat hem telkens weer terugdreef naar Amerika was voor een belangrijk deel een diepgeworteld cultureel pessimisme: hij wilde de zogeheten vooruitgang ontmythologiseren en waarschuwen voor de gevolgen ervan. In zijn ogen was het bestaan in grote Amerikaanse steden niet meer of minder dan ons voorland. De autoriteit van de grote bek, het loze vertoon, de kloof tussen arm en rijk, de onverschilligheid, de willekeur, de eenzaamheid en de hardheid, dat alles zou vroeger of later naar Europa overwaaien, als we niet uitkeken.

Met wat hij signaleerde en vastlegde beoogde hij dus ook 'al die zelfgenoegzame burgers hier' een toekomstperspectief voor te houden dat zo grimmig was dat ze zich vanzelf tot een humanere levensstijl zouden bekeren. Dat hij geloofde dat zijn foto's daar daadwerkelijk aan zouden kunnen bijdragen mag men naïef of zelfs megalomaan noemen, maar het staat vast dat er door fotojournalisten soms inderdaad beelden zijn gemaakt die de loop van de geschiedenis hebben veranderd, zoals de foto van het napalmslachtoffertje in My Lai.

De hoofdredactie van het weekblad Panorama komt de eer toe als eerste de kwaliteiten van Peter Martens te hebben herkend. Behalve dat Panorama dankbaar zijn reportages afnam, kreeg hij in het blad ook een eigen, wekelijkse rubriek, bestaande uit een doublespread zwartwitfoto, Mensen van Martens. Op een dag knipte een lezer de s van Peters achternaam af, plakte die ervoor en deed zijn vondst op de post: Mensen van Smarten.

Peter was er diep van onder de indruk.

Kinderen zijn altijd de lul

Peter Martens was geen man voor Beiroet of Vietnam, zijn onderwerp was nu eenmaal de alledaagse oorlog op straat, het nieuws achter het nieuws, het nieuws dat geen nieuws is, maar voor ontelbaren de dagelijkse realiteit. Die vergeten werkelijkheid zocht hij niet alleen in Amerika op, hij reisde ervoor over de hele wereld. Maar er blijkt een grens te zijn aan wat de westerse geest aan ellende kan bevatten. In Opper-Volta zag Peter door de zoeker van zijn camera tussen de uitgemergelde kinderen ineens zijn twee eigen dochters. Hij kwam volkomen ontdaan thuis.

Toen hij dacht van de schok hersteld te zijn, stelde hij me een nieuwe Afrika-reis voor naar een aantal Sahel-landen. In de vlakte van Toerkana maakten we een reportage over de honger. De ogen van de kinderen waren niet om aan te zien. Eén van die kinderen stond op benen als stokjes de hele dag geduldig bij een Rode-Kruispost te wachten op voedselvoorraden die nooit arriveerden. Peter noemde hem De Filosoof, en stond soms samen met hem uren zwijgend in het rode stof, alsof hij door werkeloos mee te wachten de komst van een vrachtwagen met posho kon afdwingen. Ik wist wat hij dacht, aangezien hij me dat al honderden keren had voorgehouden: 'Kinderen zijn altijd de lul. Altijd'.

Weken later, op weg naar huis, greep hij me in het vliegtuig bij mijn arm. Hij wees naar het gangpad. Hij kon geen woord uitbrengen. Pas maanden nadien vertelde hij me dat hij op dat moment De Filosoof midden in het vliegtuig had zien staan, roerloos, de handen over de gezwollen buik gevouwen. En dat het jongetje hem vervolgens ook in zijn doka had opgezocht toen hij bezig was het materiaal uit Toerkana af te drukken. 'Dat zal wel betekenen dat hij dood is', zei hij.

Het was heel typerend voor Peter dat hij zijn ontreddering beschouwde als een beschamende tekortkoming in plaats van als iets dat hem gewoon mens maakte. Hij wilde er niet aan dat hij misschien domweg burned-out was. 'Ik kan toch geen zonsondergangen gaan fotograferen', snierde hij. Maar ik geloof dat hij dat in alle stilte een tijdje toch deed, zich verbazend over zichzelf.

Bezeten maniakken

Uiteindelijk wist hij de draad weer op te pakken. 'Ik zou me een ontzettende boerenlul hebben gevonden als ik was opgehouden', zei hij toen ik hem voor het voormalige weekblad De Tijd interviewde naar aanleiding van de toekenning van de Joop Alblasprijs voor zijn gehele oeuvre. 'Als journalist vind ik, moet je niet anders k£nnen dan de waarheid brengen. En dan ook nog eens zo luid en duidelijk mogelijk. Je moet die drang hebben om te laten zien hoe verrot alles in elkaar zit, om echt inzicht te verschaffen. Als je dat kwijtraakt, of nooit hebt bezeten, kun je je werk niet goed doen. Dan maak je rommel, dan blijf je aan de oppervlakte krabbelen.' Hij had het over 'die echte bezeten maniakken die je een leven lang op de radio over hetzelfde hoort drammen'. Haast verontschuldigend.

Het is waar dat Peter Martens zijn thema's tot aan de dood trouw is gebleven. Maar ik geloof toch dat hij na het zwarte gat van Afrika, zij het geleidelijk, op een ander aambeeld is gaan slaan. Zijn pre-occupatie met de have nots verdween geenszins, maar er verschoof een accent. In de jaren zeventig fotografeerde hij, 's nachts op pad met de politie van New York, nog eindeloze series lijken, slachtoffers van redeloos geweld. Later vond hij subtielere verzinnebeeldingen van de strijd op leven en dood in die heksenketel. Zijn foto's werden daardoor minder puur een statement ('Het gaat om de schok. Laat ze maar schrikken'), ze werden verhalender, waarbij soms zelfs sprake is van interactie tussen de geportretteerden. Daarnaast leek hij de treurige absurditeit van het bestaan plotseling ook op andere plekken te herkennen dan louter in de goot. Zo fotografeerde hij vadsige yuppen die in hun lunchpauze een spelletje basketbal spelen tussen de wolkenkrabbers - een situatie die vroeger geen 'onderwerp' voor hem zou zijn geweest. Tekenen die erop wijzen dat hij zijn repertoire, met behoud van het oude, aan het verbreden was.

Tot welke synthese hij uiteindelijk gekomen zou zijn, zullen we nooit weten. Peter Martens overleed in 1992, 55 jaar oud. Zijn ziekte openbaarde zich een jaar voor zijn dood in zijn geliefde vervallen hotel in 43rd Street in New York, hetzelfde hotelletje waarover hij me in een brief eens enthousiast schreef: 'You should be here! This place is run like a garbage-can'. M

Fotoreportage

Op 1 april verschijnt bij uitgeverij Duo/Duo het fotoboek 'Peter Martens 1937 - 1992'. De tentoonstelling in de Kunsthal en galerie Duo/Duo in Rotterdam maakt onderdeel uit van de Fotobiënnale Rotterdam en duurt tot 2 juli.