Koekoek!

Dertien maart was het toen de tjiftjaf de Rotterdamse kantorenwoestijn aan de kant van Gouda bereikte. Op de kop af dezelfde dag als vorig jaar. En alweer extreem vroeg, voor Rotterdamse begrippen. De waarnemer die meent in de steeds eerdere terugkeer van trekvogels aanwijzingen voor een klimaatverandering te zien weet genoeg: het broeikaseffect heeft effect.

De thuiszittende theoreticus weet beter: het ligt ingewikkelder. Het lijkt erop dat de trekvogels in de decennia vóór 1975 in opvolgende jaren steeds later terugkwamen. Er is een geheimzinnig ritme dat misschien wel niets met klimaatverandering te maken heeft.

De ritmiek is in Nederland het best te volgen aan de hand van de terugkeer van de tjiftjaf en de gierzwaluw. Die zijn allebei, zoals dat heet, `zeer algemeen', hebben een nagenoeg landelijke verspreiding en mijden grote steden niet. Daarbij laat de tjiftjaf zich uitzonderlijk goed horen en de gierzwaluw zich uitzonderlijk goed zien. Alternatieven zijn hoogstens te vinden bij de boerenzwaluw en de `zwartkop' die we van de commissie vroeger `zwartkoptuinfluiter' moesten noemen. Maar niet iedereen onthoudt hoe de zwartkop zingt, de zang van de gewone tuinfluiter wordt er makkelijk voor aangezien.

De tjiftjaf zingt zoals hij heet en dat doet-ie in heel Europa, want hij heeft in heel Europa dezelfde naam gekregen: zilpzalp, chiffchaff, csilpcsalp etc. Waaruit makkelijk de indruk ontstaat dat de tjiftjaf al eeuwen hetzelfde roept. Wat natuurlijk helemaal niet het geval hoeft te zijn.

Hoe groot is eigenlijk de kans dat onze zangvogels vroeger een heel ander liedje zongen? Een toontje hoger, een toontje lager? Hoe groot is de kans dat wat wij nu typisch voor een merel of nachtegaal vinden vijf eeuwen geleden volkomen anders klonk? Die vraag drong zich op toen het Jeugdjournaal de afgelopen week een bonte kraai in Oostenrijk liet zien die blafte als een hondje, geleerd van zijn kleine hondenvriend. Als één vogel zo makkelijk alle conventies over boord zet, hoe waarschijnlijk is het dan dat de hele populatie `gemiddeld' altijd hetzelfde zingt?

De naslagwerken hebben zich nog niet verdiept in de evolutie van vogelzang. Ze beperken zich tot algemeenheden: zang is voornamelijk cultureel bepaald en wordt geleerd van een vader of een buurman. Het zijn bijna uitsluitend de mannetjes die zingen en het nut van de zang is altijd tweeledig: aantrekken van vrouwtjes en afstoten van concurrenten. Op internet wordt er aan toegevoegd dat er vaak geografische variatie is in de vogelzang. Er bestaan heuse vogeldialecten. Het lied van de merel is in Beieren anders dan in Baarn.

AW-personeel, overigens behept met een belabberd akoestisch geheugen, kent één zo'n dialect uit eigen herinnering. Het korte, maar uiterst krachtige liedje van de vink, dat om een of andere reden de vinkenslag heet, klinkt in de bergen tussen Frankrijk en Spanje anders dan in Nederland. Klinkt het hier ongeveer als `ditditditditditdit trrrrrrrrrr, is de laatste keer' (zoals Gerrit Krol het beschreef) in de zuidelijke bergen wordt het steevast en overal gevolgd door een raar ophaaltje dat klinkt als `maar niet heus'. Hoe meer geografische variatie, hoe groter de kans dat er ook variatie in de tijd is, daar lijkt geen speld tussen te krijgen. Maar zou het waar zijn?

Geloof het of niet, maar de vakgroep diergedrag van de Leidse universiteit specialiseert zich al geruime tijd in de evolutie van vogelzang. Dr. Rob Lachlan promoveerde vorig jaar op het proefschrift: `Cultural evolution of song in theory and in chaffinches'. De chaffinch is de vink. Mooier kan het niet.

Hoewel Lachlan vooral theoretisch onderzoek deed is hij niet te beroerd om, op verzoek, wat aan de algemeenheden van de encyclopedieën toe te voegen. In de eerste plaats dat de regel dat alleen het mannetje zingt alleen voor onze breedte geldt. In de tropen zingen ook veel vrouwtjes, vaak in prachtige, goed getimede duetten met de mannetjes.

Zang is bijna nooit uitsluitend cultureel bepaald maar heeft ook een duidelijk genetische component. Bij koekoekskuikens, die immers worden opgevoed door rietzangertjes en karekieten en dergelijke, is dat evident. Maar ook bij de gewone zangvogels zijn er duidelijk aangeboren capaciteiten. Kuikens die nooit één vader of buurman hebben horen zingen ontwikkelen vaak toch nog een redelijk liedje, al lijkt dat maar matig op de bedoelde zang. De vogels leren het door goed naar zichzelf te luisteren. Worden ze al in een vroeg stadium doof gemaakt, dan blijven ze stom.

Dit alles neemt niet weg dat vogelzang in principe net zo makkelijk en snel in tijd zou kunnen verlopen als mensentaal voor de boekdrukkunst en de radio. Zijn er geen oude geluidsopnames van zingende nachtegalen, de grammofoon bestaat toch al meer dan een eeuw? Misschien wel, denkt Lachlan, maar de vraag is of ze veel toevoegen aan recentere geluidsopnames. Het verloop in de tijd gaat zo snel dat al binnen een paar decennia meetbare verschuivingn zijn aan te tonen. Recente registraties van vinkenzang in uitgestrekte Engelse bossen die werden vergeleken met registraties uit de jaren zeventig lieten enorme veranderingen zien. Op geïsoleerde Schotse eilanden bleef de zang veel constanter.

Het staat dus wel vast dat de merel en de nachtegaaal in de tijd van Shakespeare of Vondel heel anders zongen dan nu, al zou je het waarschijnlijk nog wel als zodanig herkennen. Uit het feit dat veel van de huidige vogelnamen, die vaak onomatopeeën zijn (zoals koekoek, kievit en grutto), al heel oude namen zijn valt af te leiden dat het ook weer niet beestachtig hard gaat. Maar waar gaat het heen? Zit er ook richting in het proces?

De selectiedruk op vogelzang komt vooral van seksuele selectie, zegt Lachlan, het is het vrouwtje dat met haar partnerkeuze de richting van de evolutie bepaalt. En wat wil de vogelvrouw? Zij wil een mooi gecompliceerd lied en een groot repertoire. Steeds meer, steeds langer, steeds ingewikkelder: dáár gaat het heen.