KLEINE PLATOOTJE

Kleine kinderen kunnen duizelingwekkende vragen stellen en verbijsterende conclusies trekken. Aldus Gareth Matthews, Amerikaans hoogleraar in de kinderfilosofie.

Zijn meest recente boeken gaan over Socratic Perplexity and the Nature of Philosophy (Oxford, 1999) en over The Augustinian Tradition (University of California, 1998), maar Gareth Matthews (70) is toch vooral bekend door zijn onderzoek van filosofisch denken door kinderen. Onlangs was de hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Massachusetts in Nederland voor een conferentie over kinderfilosofie. Hij kwam net van een andere conferentie in Duitsland.

Zijn specialisme als kinderfilosoof kwam toevallig tot stand, vertelt hij in zijn kamer in hotel De Filosoof in Amsterdam. Eind jaren zestig ontdekte hij dat veel van zijn studenten de filosofie, in het licht van de toen heersende tijdgeest, beschouwden als een deel van het establishment. ``Dat verontrustte me. Ik zon op een manier om hun ongelijk aan te tonen en ben toen kinderverhalen met een filosofische invalshoek gaan voorlezen en bespreken. Mijn colleges werden bijzonder populair, niet door mijn persoon maar door de verhalen. De studenten genoten. Daarna ben ik onderzoek gaan doen naar de filosofie in het kinderverhaal en ging ik op scholen met kinderen filosoferen. Soms viel ik van verbazing achterover door wat kinderen te berde brachten. Hele verklaringen voor het ontstaan van het heelal en antwoorden op de vraag of planten gelukkig zijn. Kinderen zijn onbevangen, ze worden niet gehinderd door allerlei zogenoemde vaststaande feiten. Kinderen zijn creatievere filosofen dan volwassenen. Volwassenen zijn dat vermogen om onbevangen vragen te stellen al lang kwijt.'

Matthews noemt in zijn boek `Filosofie van de kinderjaren' als voorbeeld het negenjarige jongetje Sam wiens theorie over het begin van het heelal aldus luidt: ``Het heelal is waar alles op verschijnt. Het is niet echt iets. Het is waarop andere dingen zijn begonnen. Er was een eerste keer voor de aarde, de sterren en de zon maar niet voor het heelal.'

Matthews vergelijkt Sams conclusie met Plato's idee over het heelal als `ontvangstoord van het gewordene'. Volgens Matthews is Sams idee zelfs beter dan dat van Plato. Een ontvangstoord is volgens Matthews beperkter dan `iets waarop andere dingen verschijnen'. Op de vraag of het niet ver gezocht is om de conclusies van kinderen te plaatsen tussen die van de grote denkers, antwoordt Matthews dat het hem er alleen maar om te doen is aan te tonen dat kinderen veel verder denken dan volwassenen aannemen. ``Ze stellen essentiële vragen die de mensheid zichzelf al eeuwig stelt.'

Matthews meent dat ontwikkelingspsychologen als Piaget het denkvermogen van kinderen over het hoofd hebben gezien. Volgens Piaget ontwikkelt de kennis van een kind zich in stadia, die leeftijdsgebonden zijn. De kennis raakt beter georganiseerd naarmate de kinderen ouder worden. Dat is volgens Matthews een beperkte visie. ``Een kind is in die zienswijze een incomplete volwassene. Dan negeer je hun filosofische instelling. Mijn ervaring is dat kinderen in de leeftijd van vier tot acht jaar de meest open geest hebben. Volgens Piaget zitten kinderen dan nog maar aan het begin van hun ontwikkeling. In mijn visie nemen de oorspronkelijke inzichten af naarmate het kind ouder wordt, het filosofische denken gaat dan ondergronds. Ze raken gaandeweg getraind in het stellen van `nuttige' vragen omdat er ook niet werkelijk naar hun filosofische vragen wordt geluisterd. Als volwassenen denken we dat we antwoorden moeten geven op die moeilijke vragen van kinderen, maar dat hoeft helemaal niet. We kunnen ook alleen luisteren en vragen stellen. Mogelijk kom je dan samen tot heel inspirerende inzichten.'

Op de conferentie `Verwonderd Stilstaan' van het Algemeen Pedagogisch Studiecentreum in Utrecht krijgt Matthews een dag later de zaal muisstil. De zaal zit vol onderwijzers die `kinderfilosofie' geven op een basisschool. In Nederland is op ongeveer tien basisscholen filosofie vast opgenomen in het lesprogramma. Op zo'n honderd basisscholen filosofeert een geïnteresseerde leerkracht af en toe met de kinderen of zijn er speciale filosofieprojecten.

In werkgroepen debatteren de congresgangers geestdriftig over `de goede vraag', de filosofie van rekenen en wiskunde, en over hoe te filosoferen met pubers. Men begroet elkaar als oude bekenden en wisselt gretig ervaringen uit. Aan het eind van de dag komen kinderen van basisschool De Zevensprong uit Boskoop samen met de congresgangers om te filosoferen over bijvoorbeeld de stelling dat kabouters bestaan, maar voor grote mensen onzichtbaar zijn.

Op de conferentie is een werkmap voor het basisonderwijs gepresenteerd waarin Berrie Heesen, al vijftien jaar de pionier van kinderfilosofie in Nederland, het idee van de `denkhoek' introduceert. Ieder klaslokaal zou een denkhoek moeten hebben waar kinderen nadenken over stellingen en deze gedachten inspreken op een cassetterecorder. De conclusies en meningen kunnen later in de kring besproken worden.

wonderschoon

Heesen heeft Gareth Matthews naar Nederland gehaald. Hij beschouwt de Amerikaanse hoogleraar als dè theoreticus die heeft aangetoond dat kinderen zeer goed in staat zijn moeilijke zaken te verwoorden. De gesprekken die Mathews met kinderen voert en die hij in zijn werk aanhaalt, zijn wonderschoon. Maar in de Nederlandse praktijk zijn ze nauwelijks uitvoerbaar, denkt Heesen. ``Ik zie mezelf nooit acht uur achter elkaar op die manier met de kinderen gesprekken voeren. Dat is ook veel te zwaar voor de niet-filosofisch geschoolde leerkracht. Ik probeer leraren juist praktische handvatten te geven om kinderen aan het filosoferen te krijgen. We moeten kinderen aanmoedigen om te denken en leren zelfvertrouwen te krijgen. Dat kan ze alleen maar helpen in een steeds complexere samenleving.'

Matthews beaamt dat filosoferen met kinderen voor een hoop leerkrachten een brug te ver is. ``Leerkrachten hebben een overbelast programma. Dat is waarschijnlijk hetzelfde in Nederland als in de Verenigde Staten. Maar er zijn genoeg leerkrachten met hetzelfde programma die wèl de ruimte hebben om met de kinderen een gesprek aan te gaan. Zie het ook als een cadeautje aan jezelf van de kinderen. Je stopt als leraar heel veel kennis in kinderen, zo is de verhouding altijd geweest. Maar ga eens luisteren en stel vragen. Hoor wat de kinderen jou te vertellen hebben.'

Op de vraag of de kinderfilosofie zijn eigen volwassen werk heeft beïnvloed antwoordt hij bevestigend. ``Ik heb vooral in mijn laatste werk over Augustinus veel aan de kinderfilosofie gehad. Augustinus stelt voortdurend vragen. Hij blijft verwonderd over allerlei zaken en heeft daar geen sluitend antwoord op. Dat maakt hem wat moeilijk te interpreteren, maar door zijn ideeën met een open geest te bekijken kom je veel verder. Zijn vragen zijn kinderlijk, in de positieve zin.'