Homo erectus als kok

De 1,8 miljoen jaar oude Homo erectus zag er heel anders uit dan de Australopithecus waaruit hij waarschijnlijk voortkwam. Hij was met maximaal 180 centimeter zo'n 50 centimeter langer dan zijn grootste aapachtige voorzaat en bezat een skelet voor een volledig rechtopgaande gang. Zijn herseninhoud (750-1250 cc) was bijna het drievoudige geworden van het Australopithecus-volume, het gezicht stak niet meer zover naar voren en hij had veel minder zware kaken. Tanden en kiezen waren kleiner met een dunnere laag glazuur. Daarnaast was het verschil in fysieke verschijning tussen de seksen (seksueel dimorfisme), dat bij de Australopithecus aanzienlijk was, sterk afgenomen.

De geaccepteerde verklaring voor deze veranderingen is een wijziging van het dieet. In de loop van de tijd zouden de (de thans als aparte soort omstreden) Homo habilis en Homo erectus een toenemend deel van hun plantaardige voeding hebben vervangen door een makkelijker verteerbare en vooral hoogwaardigere energiebron: vlees. De betere verteerbaarheid schiep in de energetische huishouding ruimte voor groei van de hersenen, want dat is een in metabolisch opzicht duur orgaan. Groei en gebruik van de hersenen werden daarbij gestimuleerd door effecten van zowel de populatie-toename (gevolg van de uitbreiding van het voedselpakket) als de vleesvoorziening zelf.

Om de groepssamenhang te bewaren voldeden middelen als elkaar vlooien en dergelijke niet langer. Er moesten nieuw sociaal gedrag en communicatie worden ontwikkeld. Nieuw gedrag en verbeterde communicatie waren ook noodzakelijk voor de jacht, voor het verjagen van roofdieren bij hun prooien of voor het zoeken naar verse kadavers; bovendien voor de verdeling van de buit. Tenslotte kon de vleesvoorziening en -verwerking niet zonder de ontwikkeling van nieuwe technologieën. In deze gedachtencyclus is het gaan eten van vlees dus een eerste en uiterst belangrijke stap op de ladder van de menselijke ontwikkeling: fysiek, sociaal en cultureel. Het is een weinig opwekkend verhaal voor vegetariërs.

Dit kan niet het hele verhaal zijn, zo betogen vijf antropologen in het artikel `The Raw and the Stolen. Cooking and the Ecology of Human Origins' (Current Anthropology vol 40, december 1999 blz. 567-594). In het savannenlandschap waar Homo erectus leefde was de beschikbaarheid van vlees lang niet altijd vanzelfsprekend, aldus Richard W. Wrangham (Harvard University) en zijn mede-auteurs. Bovendien zijn wilde dieren vaak mager, vooral in droge perioden. De voedingswaarde van mager vlees blijkt lang niet zo hoog als vaak wordt gedacht. In feite kost de vertering van mager vlees meer energie dan het oplevert. Alle veranderingen kunnen daarom niet aan vleeseten alleen worden toegeschreven. Homo erectus moet voor een belangrijk deel toch zijn blijven vertrouwen op plantaardig voedsel.

Graafstokken

In de savannen zijn vooral knollen en wortels rijk aan voedingsstoffen en bij de oogst daarvan had Homo sapiens weinig concurrentie te duchten. Dieren kunnen er moeilijk bij en Homo erectus beschikte over graafstokken. Op een blijvende consumptie van rauwe knollen en wortels zouden kaken en gebit zich anders hebben aangepast. De niettemin waargenomen veranderingen zijn volgens Wrangham c.s. verklaarbaar als wordt aangenomen dat Homo erectus die knollen en wortels had leren koken. Dat verhoogde ook nog eens de verteerbaarheid en de voedingswaarde. Koken veronderstelt de controle over vuur. Naar algemeen wordt aangenomen was daar 400.000 tot 300.000 jaar geleden voor het eerst sprake van. Maar in Afrika (Koobi Fora, Swartkrans, Chesowanja) zijn 1,6 miljoen jaar oude vuurplaatsen ontdekt die men met Homo erectus associeert.

Wrangham en de zijnen knopen vervolgens een hele serie ontwikkelingen vast aan hun veronderstelling. Het koken van knollen en wortels en ook van vlees zou een uitgestelde consumptie hebben betekent en een opeenstapeling van voedsel bij de plek van bereiding. De accumulatie en de verhoogde voedingswaarde maakte het voor dominante groepsleden, mannen bij uitstek, makkelijk en aantrekkelijk om dat te stelen. Vrouwen zouden zich daartegen teweer hebben gesteld door het aangaan van onderlinge, beschermende allianties maar ook door te trachten dominante mannen aan zich te binden. Dat laatste lukte beter bij vrouwen met een langere periode van seksuele attractiviteit, waarna, op dit punt, een natuurlijke selectie plaatsvond. De verlengde periode van seksuele attractiviteit werkte paarvorming in de hand. Daarnaast nam het seksuele dimorfisme af. Vrouwen kregen meer en betere voeding en groeiden. Mannen ook, maar proportioneel niet meer zo sterk, omdat bij hen een selectiedruk wegviel. Door de verlengde seksuele attractiviteit van de vrouwen en de paarvorming hoefden zij onderling niet meer zo hevig te concurreren om vrouwelijke gunsten, aldus Wrangham c.s.

Zoals gebruikelijk in Current Anthropology geeft al in hetzelfde nummer een groot aantal collega-onderzoekers commentaar op het artikel. En zoals zo vaak zitten de hoeders van gevestigde meningen in de gordijnen. De kritiek liegt er niet om. Zo merkt C. Loring Brace van de Universiteit van Michigan op dat er stevige bewijzen zijn dat het koken niet ouder is dan 300.000 jaar. Een belangrijk element in Wrangham's betoog is namelijk de vuurplaats FxJj van 1,64 miljoen jaar oud in Koobi Fora, Kenya, met sporen van menselijke aanwezigheid. Die plaats is omstreden. Er zijn erg veel van dat soort plekken gevonden zonder een spoor van menselijke aanwezigheid, meldt Henry Bunn van de Universiteit van Wisconsin. En in Ethiopia is er zo'n vlek waar vlakbij veel resten van Australopithecus afarensis (ca. 4 miljoen jaar oud) zijn gevonden. Hebben die dan ook al gekookt? Samengevat: de kokende Homo erectus is geen wetenschap, hooguit een aardig verhaaltje. In zijn antwoord op de kritiek schrijven Wrangham c.s. dat veel van de kritiek op hun hypothese terecht is, maar dat de rol van vrouwen, plantaardig voedsel en competitie tussen de seksen in de menselijk evolutie meer aandacht zal moeten krijgen dan tot nu toe.