Hebron

Het stukje van Els van Diggele (NRC Handelsblad, 18 maart) trof mij door de anti-Palestijnse teneur. De Palestijnse markt van Hebron is ,,voor joden verboden'', maar ter bescherming van wie eigenlijk?

Ik respecteer de poging van de auteur sympathie op te wekken voor de bedreigde kolonist Noam Arnon en zijn gemeenschap. Deze 400 kolonisten zijn het aan hun religieuze opvattingen verplicht stand te houden in de grotendeels onder Palestijns zelfbestuur vallende stad van de aartsvaders. De stationering van 2000 soldaten in Hebron weet niet te verhinderen dat de joodse gemeenschap daar regelmatig wordt blootgesteld aan busbekogelingen, beschietingen en verbaal geweld.

Onvermeld blijft echter dat ook de veiligheid van de Palestijnse bevolking niet gewaarborgd is. Ik doel hier met name op het lot van de 29 Palestijnen die in 1994 doodgeschoten werden door de uit Arnons gemeenschap afkomstige Baruch Goldstein. De slachtoffers waren aan het bidden in de Grot die voor Arnon zo belangrijk is dat hij nergens anders meer zou kunnen bidden.

De Israelische regering heeft inmiddels haar erkenning van het lijden van deze Palestijnen geuit door het toekennen van 1 miljoen shekels aan de getroffen families. Arnon en de zijnen hebben echter Goldsteins graf tot een monument gemaakt met een dusdanig kwetsend en aanstootgevend karakter dat het in december jongstleden door Israelische veiligheidstroepen omvergehaald is.

Zowel joden als Palestijnen lijden onder de situatie in Hebron. In harmonie met de opnieuw opgepakte vredesbesprekingen hebben recente toenaderingspogingen tot doel de wederzijdse vijandigheid wat af te zwakken. Zo deed het blad Jerusalem Report onlangs een suggestie voor een uitje naar de glasfabrieken in Hebron.