Doktersruzie

,,Overal hetzelfde'', zei Henk. Hij stond in de deuropening met zijn beduimelde visiteboekje in de hand. Huisarts. Een gespierde zware man met leesbril, knickerbocker en zware schoenen. We keken op. ,,Kom zitten man'', zei Jean ijzig. Ze mochten elkaar niet, dat was duidelijk. Meestal ging de een als de ander kwam.

Henk bleef in de deuropening staan. In een naburig ziekenhuis was ruzie uitgebroken, vertelde hij. Een specialistengroep die uit elkaar ging. Zelfs wekelijkse sessies met een psycholoog konden de wond niet helen. De karakters stonden als bokken tegenover elkaar. Soms verdwijnt een van de partijen na verloop van tijd. Meestal blijven ze jarenlang doorgaan in hetzelfde ziekenhuis. Er is niet zoveel andere keus. Wie wil er graag een opgespatte flard van een specialistengroep in zijn ziekenhuis opnemen?

,,Overal hetzelfde'', herhaalde hij. ,,Zeg dat wel Henk'', zei Jean geaffecteerd. ,,We lopen niet allemaal over pasgeboren billetjes te aaien, met rammelaars, en te jagen in andermans praktijk, eh, eh.'' Hij begon te hakkelen. Het was een oude ruzie die Jean nog steeds een rode kop van woede kon geven. Wie is patiënt bij wie, o wie? En wie staat ingeschreven bij wie? Ze bewaakten hun praktijk tegen broodroof als jaloerse moeders hun kroost.

,,Hier, een kop soep Jean'', zei ik sussend. Ik was tenslotte de gastheer op het soepuurtje met de huisartsen, de broodheren van ons specialisten. Het was een erfenis uit de tijd dat deze stad nog een klein ziekenhuis bezat en we wekelijks in de bestuurskamer rond een gamel soep zaten die door de civiele dienst op een trolley naar binnen gereden was. Het ziekenhuis heeft allang de geest gegeven. Door ruzie en ander ongemak. Specialisten die zich titanen voelden waar alles voor wijken moest.

Eén ruzie liep zo hoog op dat er een rechtszaak van kwam met koppen in de krant. Specialist tegen bestuur. De aanleiding was een financiële kwestie, de oorzaak een wantrouwen met vertakkingen als van een ondergrondse rivier.

De rechter was er een van de moderne, conflictoplossende school. Hij verdaagde de zitting naar het ziekenhuis. Geen uitspraak doen maar de partijen in beslotenheid tot elkaar brengen. De zitting werd gehouden in de linnenkamer die zich bevond in een houten barak achter het hoofdgebouw. Formica tafeltjes werden in T-vorm aan elkaar geschoven. Aan het hoofdeinde zat de rechter, een welbespraakte redelijke man van gewicht. Achter hem rezen tegen de wand opzijgeschoven plastic manden met wasgoed op. De verwarming raasde want het was winter en buiten viel natte sneeuw.

Aan de raamkant zat een magere, vrouwelijke advocaat die geagiteerd het woord voerde namens de naast haar zittende eisende partij: de specialist die er sullig bij zat, een zenuwtrek kreeg en zijn bril telkens verschoof. Achter haar besloegen de ruiten en het wasgoed begon te dampen en te ruiken.

Tegenover haar zat de partij Ziekenhuis. De advocaat was een papperige jongeman, gekleed in een fletsblauw kostuum dat te krap zat en de contouren van zijn lijf had aangenomen. Hij gaf antwoorden als uit een ontwakende dommel en wekte de indruk dat het hem de keel uithing. Ik vond hem geen sterk nummer maken tegen de goedgebekte vrouw.

Maar dat had ik mis. De bijeenkomst begon allengs de trekken aan te nemen van de zitting van het partijcomité in de Siberische taiga. De zaak liep uit tot in de middag. Het wilde maar niet goed dag worden. Mijn hoofd werd heet, een onbedaarlijke koppijn klopte, terwijl mijn voeten versteenden door de tocht die over het zeil trok.

Het einde was dat de specialist uit het ziekenhuis moest vertrekken. De griffier haalde opgelucht een schrijfmachine uit zijn auto en de rechter dicteerde zijn conclusie. De dokter tekende en maakte dat hij wegkwam. Tezamen met zijn juffrouw advocaat.

,,Overal hetzelfde'', zei ik. Jean en Henk waren nog aan het ruziën. ,,Jaag jij nog, Henk?'' vroeg Jean uit de hoogte. ,,Niet in jouw betekenis'', antwoordde hij. Toen ging zijn semafoon. Hij verdween uit de deuropening.