Democratie gaat zonder debat failliet

Bestuurders beschouwen Nederland steeds meer als een vennootschap in plaats van een politieke gemeenschap. In de politiek behoren doelen echter voor discussie vatbaar te zijn, terwijl het bij een bedrijf alleen gaat om het maken van winst, meent Thomas H. von der Dunk.

Wie de klacht uit, dat het er met de democratie in Nederland maar matig voorstaat, staat niet alleen. De geringe opkomst van het electoraat en het ontbreken van pakkende politieke thema's gelden als symptomen voor een groeiende malaise. Daarbij komen de `affaires' die over elkaar heen buitelen, en getuige uitdijend dineer en declareergedrag op het kruispunt van overheid en bedrijfsleven, lijken te wijzen op een afnemend inzicht in het verschil tussen mijn en dijn. Zodoende heeft de politicus ook als persoon aan gezag ingeboet, en niet alleen in het woordenboek. Ook in maatschappelijk aanzien komt hij zo maar net vóór de pooier en de prostituant.

Nederland lijkt het karakter van een éénpartijstaat aan te nemen, waarbij alleen aan de randen van het politieke spectrum, bij SP en SGP, nog wezenlijk afwijkende geluiden te horen zijn. Het belangrijkste adagium lijkt thans, dat men alles wat op ruzie lijkt vooral moet vermijden, zodat elk miniem meningsverschil prompt door de pers tot een enorm conflict wordt opgeblazen. Zonder veel succes, want iedereen regeert vervolgens vrolijk verder

De nieuw ontdekte Vader des Vaderlands, Wim Kok, wordt van Wassenaar tot Hoogezand hogelijk geëerd. Ook al hebben zijn populariteitscijfers nog niet die ongemakkelijke hoogte bereikt als bij de andere Grote Verzoener dezer dagen, Tony Blair, bij wiens schare van extatische bewonderaars de gedachte post doet vatten, dat op 1 mei 1997 de Messias per stemhokje op Aarde is teruggekeerd om de komende 33 jaar als Engelsman door het leven te gaan. Daarbij vergeleken oogt de Nederlandse premier meer als de kleinzoon van Drees dan van Domela. Us Verlosser is in Nederland nu eenmaal allang niet meer een bebaarde revolutionair, maar een grijzende reformist, die alle fundamentele vragen misschien best zinnig vindt, maar geen enkel fundamenteel antwoord juist.

Nu is dat laatste altijd al een karakteristiek van de Nederlandse overlegdemocratie geweest. Wilde men het in een land van minderheden met elkaar uithouden, dan was een hoge mate van consensusstreven vereist. Onze eerste ervaring met het verschijnsel `politiek' was immers een zeer traumatische: onze politieke bewustwording in de Patriottentijd liep meteen op een burgeroorlog uit. Daarna had men van politiek dan ook lange tijd zijn bekomst, en eigenlijk is dat steeds zo gebleven. De angst, dat door politieke polarisatie Nederland doormidden zou breken, zit sindsdien diep in onze genen verankerd. Iedereen telt, om de recente verkiezingsleus van een grote politieke partij eens te citeren, en niemand duwt men hier te lande dus om zijn opvattingen overboord. Een begrip als Verfassungsfeind, dat bij de Oosterburen regelmatig gebruikt wordt om radicalen buiten te sluiten, is te onzent vreemd. Alleen de politieke randcriminelen van extreemrechts hebben zich te ver van de verbroederende volksgeest verwijderd, om op een stem in het nationale kringgesprek te mogen rekenen.

Scherpslijpers worden niet buitengesloten, maar ingekapseld en zo aan het nog steeds bloeiende pacificatiemodel verplicht. Met een koninklijk lintje toont zich ook de laatste republikein op het beslissende moment zeer verguld. Principiële preken zijn misschien mooi om de eigen achterban een hart onder de riem te steken, in de praktijk moeten voortdurend pragmatisch met andersdenkenden zaken worden gedaan.

Iedereen telt, en als iedereen inderdaad evenveel telt, telt eigenlijk niets. De staat is in Nederland niet zozeer de spreekwoordelijke mammoettanker op de wijde oceaan, als wel een veerpont op een smalle rivier: zij roept bij de weinig verwende passagiers de sensatie van het vrije varen op, maar schommelt in feite slechts een beetje heen en weer en ligt met stevige kabels aan beide oevers vast.

Het resultaat is een regering zonder duidelijke koers, en een groezelig mengelmoes dat zij betitelt als haar `beleid'. Een Nederlandse regering voert namelijk niet een bepaalde politiek, maar een bepaald beleid. `Politiek' staat voor de praktische vertaling van een vantevoren uitgedacht concept, `beleid' voor het vormeloze product van een naderhand uitonderhandelde consensus, in een gedaante die men voorbij Winterswijk en Wuustwezel niet kent. Niet voor niets is die term dan ook onvertaalbaar; de begrippen die men er in een woordenboek als buitenlands equivalent voor aangereikt vindt, hebben alleen betrekking op de organisatorische kant van het regeren, niet op de inhoudelijke. Geen Duits politicus zal de praktische consequenties van zijn ideeën op bijvoorbeeld milieugebied als Geschäftsführung presenteren. Hij spreekt dan vanzelfsprekend van unsere Politik.

Het is typisch Nederlands om te menen, dat het vooral op de organisatie aankomt, en niet op de visie die erachter steekt. Dat heeft ongetwijfeld te maken met ons nationale instinct om fundamentele problemen niet openlijk te bediscussiëren, maar ze door oeverloos overleg net zolang weg te masseren, totdat ook de allerlaatste opponent uitgeput naar de koffiepauze snakt. Het resultaat van die consensus, dat beleid, is zodoende ook iets waar niemand van harte achter staat. Het is slechts het hoogst haalbare, het is werkbaar – ook al weer zo'n onvertaalbaar begrip, dat net als `haalbaar' en `leefbaar' de kern van de Nederlandse onderhandelingscultuur aangeeft. Niemand is met de uitkomst echt zielsgelukkig, maar niemand is er ook helemaal tegen.

Deze depolitisering heeft in het huidige Paarse tijdvak een voorlopig hoogtepunt bereikt. De belangrijkste doeleinden staan niet meer ter discussie, maar worden zorgvuldig buiten het debat gehouden, waardoor de bevolking de mogelijkheid om zich daarover uit te spreken, wordt ontnomen. Dit geldt bovenal voor alles wat betrekking heeft op het nieuwe nationale geloofsartikel, De Grote Economische Groei: voor de uitbreiding van Schiphol en de Betuwelijn, maar ook voor de algehele flexibilisering, of het nu de arbeid, de sociale zekerheid of de winkeltijden betreft.

Al deze zaken worden met een beroep op de globalisering als `onvermijdelijk' en `onontkoombaar' doorgedrukt. De markt gebiedt een bepaalde koers, en de markt heeft conform de laatste hype per definitie gelijk. Alternatieven worden niet zozeer als onwenselijk, als wel als onmogelijk afgedaan.

Of de offers die daarvoor in de vorm van een jachtige 24-uurs economie moeten worden gebracht wel opwegen tegen het verlies aan rust en welzijn, tegen de verzakelijking en daarmee verarming van het menselijk bestaan – die vraag kan tegenwoordig nauwelijks worden gesteld. Speciaal de wijze waarop een grote luchthaven in het westen des lands er keer op keer in slaagt om haar megalomane expansievisoenen een stap naderbij te brengen, spreekt boekdelen. Wij mogen toch vooral niet het Jutland van Europa worden, luidt het dan. Nederland moet wereldwijd meetellen, en dan is meer dynamiek belangrijker dan minder decibellen. En inderdaad schijnt, afgaande op enige uit deze hoek vernomen geluiden, aldaar het grootste schrikbeeld te zijn, dat je niet voortdurend tot ver in het buitenland wordt gehoord. Het is de oude industriële daadkrachtmentaliteit van Rotterdam: het rookt en het stinkt, het maakt herrie en derrie, en dus is het goed. Nederland zal dynamisch zijn, of het zal niet zijn, dus hoe meer vliegbewegingen, vrachtauto's en volle wegen hoe beter. Vergeleken bij het dynamische stilstaan op de snelweg tijdens de ochtendspits in de Randstad, oogt het schrijnend tekort aan verkeersopstoppingen in Denemarken inderdaad weinig dynamisch.

De grootheidswaan van menig middelmatig bestuurder in menige middelgrote provincieplaats doet vervolgens de rest. Hun behoefte om ook aan Ede en Epe wereldfaam te verschaffen, in de hoop dat ooit een betonnen viaduct naar hen zal worden vernoemd, heeft in reeds meer dan één aangename woongemeente het leefklimaat èn de financiën ernstig ontwricht. Zo schijnt recent in Venlo honderdvijftig miljoen gulden aan de aanleg van een nieuwe Maasboulevard te zijn besteed om het internationaal toerisme te bevorderen. Internationaal toerisme! In Venlo! Alsof al die Amerikanen die jaarlijks voor vakantie naar Europa komen, de atlas zouden pakken, en vervolgens, terwijl hun blik over de kaart van Londen naar Rome glijdt, het oog ter hoogte van de Maasvallei zouden laten rusten, om dan te zeggen: Venlo! Natuurlijk, Venlo! Daar moet ik heen! We boeken meteen een hotel voor een week!

De politieke conflicten betreffen de laatste jaren zodoende de wijze van uitvoering van het beleid, niet de juistheid ervan op zich. Bewindslieden die het veld moeten ruimen, doen dat voornamelijk vanwege een omstreden bedrijfsvoering van de slechtplakkende paspoorten tot het gesjoemel op de visafslag in Urk, niet vanwege een omstreden bedrijfsdoel.

Dit accent op organisatie in plaats van inhoud is allereerst het gevolg van de verstatelijking van de politiek, omdat het ledenbestand van partijen in toenemende mate gevormd wordt door beleidsambtenaren, die hun alledaagse bestuurstechnische problemen voor politieke verslijten: niet wàt de overheid wel en niet zou moeten doen, en waarom, maar hòe dat dan geregeld moet worden staat centraal.

Dat men zich voortdurend op dit management richt, staat in verband met een tweede ontwikkeling: de tendens om de overheid als een bedrijf te beschouwen, waaraan dezelfde eisen zouden moeten worden gesteld als aan een fabrikant van dekbedovertrekken. Nederland als een NV, in plaats van als politieke gemeenschap. Waar in het tweede geval de doeleinden voor discussie vatbaar zijn, bestaat in het eerste maar één: het maken van winst. Het is verheven tot het criterium voor alles en allen, waarbij inmiddels zelfs bejaardenverzorgers tot een kostenbesparende vermeerdering van hun output worden geprest.

De politicus wordt zo niet langer meer gezien als vormgever van de samenleving op grond van een mandaat van zijn kiezers. Hij is verworden tot een technocraat, tot een bureaucratisch begeleider van processen waarover hij inhoudelijk niets meer te zeggen heeft, en waarvan de richting niet meer in het parlement, maar in de bovenetages van de kantoortorens van internationale ondernemingen en (semi)gouvernementele megaorganisaties wordt bepaald. Over het doel denkt de politicus niet meer na; dat is al van te voren als vaststaand gegeven. Hem rest slechts dat dit doel met zo min mogelijk brokken onderweg wordt bereikt.

Het is dit klimaat, waarin bij de overheid van ziekenhuis tot universiteit de tijdelijk ingehuurde interimmanager kon oprukken, voor wie niet de inhoud maar de organisatie de hoogste waarde vertegenwoordigt, voor wie de organisatie en daarmee de reorganisatie doel op zichzelf geworden is. Hij is de ultieme controleur, die ervoor moet zorgen dat de organisatie geen haperingen vertoont en zo het doel van universiteit of ziekenhuis moet helpen bereiken, maar van dat doel zelf geen flauw benul heeft. Met zijn technocratische benadering vervuilt hij daardoor in toenemende mate het inhoudelijke debat, daarin bijgestaan door een leger van PR-adviseurs. Dat zijn van die lieden die voortdurend hun mond vol hebben van communicatie, maar ons hun leven lang niets te zeggen zullen hebben.

Of deze managers daarbij een school of een slachthuis onder hun hoede hebben, maakt voor de hoeveelheid miljoenen die jaarlijks aan de McKinsey's met hun flitsende flapovers en glossy brochures wordt verspild, niet uit. Voor hen is een kind evenzeer een `product' dat `op de markt gezet' moet worden als voor een slager een koe. Vakkennis en toewijding, die juist voor de publieke sector essentieel zijn omdat voor een goed onderwijzer meer komt kijken dan voor een vertegenwoordiger in potten pindakaas, zijn in dit kader irrelevant geworden, want wàt wordt verkocht, is secundair. Verkoopbaarheid wordt een doelstelling op zich, winst daarmee gelijkgesteld aan geschiktheid en kwaliteit. Het zakenleven heeft door de overname van zijn criteria ook de overheid overgenomen, zodat elk ambtelijk diensthoofd nu in de veronderstelling verkeert zich als een innovatief ondernemer te moeten gedragen om niet aangezien te worden voor een stoffige sul.

Waar deze voortdurende begripsverwarring aangaande bestaansgrond en taken van publieke instanties toe leidt, kunnen we dagelijks in de krant lezen: directeuren van nutsbedrijven die met het geld van hun afnemers op de voetbalmarkt speculeren, en overheidsfunctionarissen die een dynamische onkostenvergoeding met goed bestuur verwarren. Onder het mom dat het bestaan van een directeur bij Unilever toch ook z'n emolumenten kent, wordt bij sommigen hunner zodoende niet de overheid als lasthebber van de nationale gemeenschap, maar allereerst de eigen bankrekening gediend. Zelden werd deze verwording duidelijker dan een paar jaar geleden aan de Universiteit van Utrecht, toen enige halfgeletterde topmanagers zichzelf met één pennenstreek uit de collectieve pot een percentuele loonsverhoging poogden toe te eigenen waarover een erudiet wetenschapper decennia zou doen, met het argument dat hun huidige salaris als een lachertje gold in de kringen waarin zij dagelijks moesten verkeren. In welke andere kringen universiteitsbestuurders dagelijks zouden moeten verkeren dan in die van hun juist in Utrecht aanmerkelijk minder royaal bezoldigde werknemers zèlf, bleef onopgehelderd.

Deze transfusie van de overheid met doelen en normen uit het bedrijfsleven heeft er mede voor gezorgd dat ook de politiek aan inhoud en geloofwaardigheid heeft ingeboet. Wie uit hoofde van een publiek ambt regelmatig met het grote geld verkeert, kan stevige benen niet ontberen. Hij moet zowel de schijn van zelfverrijking op algemene kosten zien te vermijden, als beseffen dat zijn politieke opdracht niet bestaat uit het maximaliseren van winst. Dat betekent, dat hij moet beseffen, dat opbrengst en rendement in een democratie geen doel op zichzelf vormen, en dat het doel zich nooit objectief en automatisch, met voorbijgaan aan de opinie van de bevolking, kan laten bepalen aan de hand van bedrijfskundige criteria alleen.

Politiek bestaat immers bij de gratie van het besef dat meerdere oplossingen bestaan, dus van de mogelijkheid tot keuzes. Als men voortdurend maar één weg openlaat, is van echte medezeggenschap geen sprake. Dan moet men zich natuurlijk ook niet verbazen, wanneer de burgers niet meer naar de stembus gaan – hun stem doet er toch niet meer toe, want de echte beslissingen zijn achter hun rug om al genomen. Want als het doel als zodanig niet meer ter discussie staat, is de democratie failliet.

Thomas H.von der Dunk is cultuurhistoricus. Dit is een aangepaste versie van een artikel dat eerder verscheen in Socialisme & Democratie.