DE SLIMME PUBER BEGINT PAS LAAT AAN ZOENEN

Hogere intelligentie gaat bij (Amerikaanse) jongeren samen met uitstel van seksuele contacten. Dit blijkt uit analyse van de gegevens van een survey onder 12.000 Amerikaanse adolescenten en van gedetailleerder onderzoek onder een groep van 300 jongeren die over een periode van drie jaar een aantal malen getest en ondervraagd werden (Journal of Adolescent Health vol 26 nr.7, maart 2000). Hoe jonger de adolescent hoe sterker het verband tussen intelligentie en geen seks. Intelligentere kinderen hebben niet minder seksuele belangstelling dan anderen, aldus de sociologische onderzoeksgroep onder leiding van de ontwikkelingspsychologe Carolyn Halpern (University of North Carolina at Chapel Hill). In Nederland kan overigens uit scholierenonderzoek ongeveer dezelfde conclusie worden getrokken: van de 14- en 15-jarige havo/vwo-scholier had in 1995 ongeveer tien procent geslachtsgemeenschap gehad, van de vbo-scholieren was dat ruim 20 procent. Meer dan in Nederland worden in de VS vroege seksuele contacten als erg negatief gezien. Vooral omdat seksuele voorlichting er vaak taboe is, komen in de VS veel meer ongewenste tienerzwangerschappen voor. Overigens wijst Halpern ook op psychologische en emotionele problemen die na geslachtsverkeer kunnen ontstaan in geval van onvoldoende `geestelijke rijpheid'. Verder gaan vroege seksuele contacten ook vaak samen met allerlei ander ongewenst gedrag, zoals drugsgebruik en criminele activiteiten. Hogere intelligentie gaat ook samen met vermijding van dat soort ongewenst gedrag.

Een opmerkelijke conclusie van Halperns onderzoek is dat hoge intelligentie niet alleen samengaat met uitstel van de eerste coïtus, maar ook met uitstel van allerlei andere min of meer seksueel getinte activiteiten, zoals handen vasthouden en zoenen. Dit gegeven weerlegt de traditionele verklaring dat verstandige jongeren hun eerste coïtus zouden uitstellen wegens de risico's op zwangerschap. Want waarom zouden ze dan ook niet kussen? Dat de intelligente jonge mensen zouden denken dat het geven van een zoen betekent dat de eerste stap is gezet naar seksueel verkeer is niet erg waarschijnlijk.

Halpern e.a. zoeken de verklaring voor het uitstelgedrag liever in de grotere trouw aan conventionele opvattingen die ze bij de intelligentere adolescenten hebben aangetroffen. Ze zijn religieuzer, ze doen vaker mee aan gestructureerde activiteiten zoals schoolclubs, ze geloven sterker dat hun ouders seksueel verkeer afkeuren. Al deze factoren, die samengaan met intelligentie, hebben een zelfstandige beschermende werking tegen seksuele activiteiten. Of de intelligentie zelf nu ook een `actieve' bescherming biedt is niet duidelijk. Zoals Halpern het uitdrukt: ``Het is onbekend of, en zo ja welke, adolescenten een abstract afwegingsproces doormaken wanneer ze te maken krijgen met de werkelijkheid van een romantische partner en de noodzaak om seksuele beslissingen te nemen onder de druk van `real time' fysieke opwinding.'' Halpern gaat niet in op de vraag waarom intelligente kinderen vaker conventionele morele opvattingen hebben.

Een andere opvallende uitkomst is dat adolescenten uit de laagste intelligentieklassen ook minder seksueel verkeer hebben dan de `gewone' jongeren. Waar dat aan ligt is niet helemaal duidelijk, deze jongeren delen niet de conventionele morele opvattingen van de intelligentste jongeren. Halpern vermoedt dat deze minst intelligente jongeren sterker beschermd worden door hun ouders en andere volwassen tegen omstandigheden die kunnen leiden tot seksueel verkeer (uitgaan e.d.).