De naamloze rijksdichter

Sinds 26 januari is Gerrit Komrij `Dichter des Vaderlands'. Het is iets anders dan de Britse poet laureate, de oproepbare kracht die grote vaderlandse prestaties en gedenkwaardigheden met zijn poëzie begeleidt. Komrij heeft beloofd dat hij `ten minste vier keer per jaar bij nationale gebeurtenissen een toepasselijk gedicht zal publiceren'. Het is hem toevertrouwd. Maar wat is in deze tijd een nationale gebeurtenis? Het eerste kwartaal van 2000 is vandaag voorbij, en nog geen gedicht van Komrij. Misschien spaart hij zijn krachten, want we hebben veel voor de boeg: de Europese Kampioenschappen, een prinselijke verloving, een uitzonderlijk droge zomer. Een gebeurtenis wordt nationaal als de Dichter des Vaderlands er een gedicht over heeft geschreven.

Komrij is de eerste dichter met de officiële titel. Maar al heel lang zijn er naamloze talenten aan het werk om het volk met hun poëzie te begeleiden. Jacob Cats is de eerste, zijn naam kennen we, ook als we verder geen regel van hem kunnen opzeggen. `Kinderen zijn hinderen', zei Vader Cats (maar hij vergat dat hij zelf een kind geweest was). Zijn naam leeft krachtiger voort dan zijn werk, in ieder geval bij mij. Misschien doe ik hem onrecht als ik weer eens aan hem denk, terwijl ik in de tram zit en voor de duizendste keer lees: `Wilt u zitten, ik kan staan', en me bedenk voor hoeveel varianten deze regel zich leent. (U staat te willen, enz. enz.) Eerst had het GVB het met een andere tekst geprobeerd: `Opstaan voor iemand misstaat niemand'. Toen dat niet het verwachte effect bleek te hebben, kwam het zitten en staan.

Al schrijvend merk ik dat ik het onderwerp eerder heb gebruikt. Henri Knap is met zijn `Heer in 't verkeer' de eerste onofficiële Dichter. Daarna komt de lange stoet der naamlozen. Ik rij honderd als Den Uyl opdondert. Heb het lef, wapens weg. Wees geen stumper, kleef geen bumper. En nu zag ik voor het eerst op een woonerf: Hou het prettig, rij dertig! Ieder jaar verschijnen er tegenwoordig interessante woordenboekjes met de nieuwste neologismen, leenwoorden, enz. Ook ieder jaar krijgen we een nieuwe druk van de Gouden Gids. Bewaar al die boeken, vergelijk de edities van 1990 met die van 2000, en je ziet in een paar oogopslagen waar het met onze beschaving naartoe gaat.

Hetzelfde geldt, veronderstel ik, voor het werk van deze naamloze dichters. Telkens als ik zo'n nieuwe haiku zie, vraag ik me eerst af: wie zit erachter? Altijd dezelfde? Is er een stokoude rijksdichter die op bestelling schrijft? (Je krijgt de indruk dat altijd hetzelfde talent aan het werk is; het heeft een eigen toon). En dan: het wordt tijd dat deze prestaties worden gebundeld. Het zal geen dik boek zijn, maar wel onthullend. Want al die regels dragen een urgentie in zich. Ze hebben betrekking op een misstand, ze willen die in de traditie van Jacob Cats (en op een vergelijkbare manier, van Hiëronymus van Alphen) belerend uit de wereld helpen. Uit een reeks van zulke bundeltjes zou je inzicht kunnen krijgen in de ontwikkeling van de Nederlandse misstanden – en hoe daarop door de overheid wordt gereageerd. Zie het als een politicologisch hulpmiddel.

Vooruitlopend op wetenschappelijke conclusies, zou ik zeggen dat het meeste gericht is op verbetering van de omgangsvormen in het openbare leven. En dan komt natuurlijk de vraag: helpt het? Vanzelf komen je dan de berichten voor de geest over de winkeliers, loketbeambten, conducteurs, scheidsrechters, agenten, leerkrachten, parkeerwachten, automobilisten die een pak rammel hebben gekregen van respectievelijk klanten, woningzoekenden, passagiers, spelers, stappers, leerlingen, parkeerders en andere automobilisten. Tel je dat allemaal op, per categorie afzonderlijk en in totaal, dan zou je tot de slotsom kunnen komen dat het niet veel helpt.

Maar dat is onwetenschappelijk, want op deze manier hebben we geen rekening gehouden met de groeicijfers. Sinds H.A.A.R. Knap zijn aanmoediging lanceerde, is het aantal auto's vertienvoudigd, en de bevolking met bijna vijf miljoen toegenomen. Naar verhouding is het aantal `incidenten' sterk bij deze aanwas achtergebleven. Eigenlijk zouden er per dag veertig conducteurs moeten worden afgerost in plaats van de vier die we nu registreren. Conclusie: deze gedichtjes helpen dus wèl.

Het spijt me dat ik het moet zeggen, maar deze overheidspoëzie is flauwekul. Dat weet natuurlijk iedereen, de man achter het stuur die, tachtig rijdend, links telefoneert en rechts zijn middelvinger opsteekt, en de patser die een arme parkeerwacht in het gezicht spuugt. En de rest. Die rijmpjes langs de weg, het is een kleinigheid. En toch, tegelijkertijd een bewijsje van de bagatelliserende schijnheiligheid waarmee we op ons alledaagse praktische straatfascisme reageren. Het zijn niet de laatste stuiptrekkingen van Vader Cats op zichzelf, maar de omgangsvormen van het deeltijd-gangsterdom die je ermee denkt te bestrijden.

Overpeinzingen 1034