Bezwaren OM tegen vrijheid van schrijver

Het Openbaar Ministerie vindt dat het Amsterdamse Hof het principe van de artistieke vrijheid te ruim heeft uitgelegd, toen het in januari de schrijver Pieter Waterdrinker van belediging vrijsprak. Dit is gisteren bekend geworden uit het cassatieverzoek dat de advocaat-generaal heeft ingediend bij de Hoge Raad.

Waterdrinker, pseudoniem van Pieter van der Sloot, werd beschuldigd van belediging van de burgemeester van Zandvoort en van de joodse bevolkingsgroep in zijn roman Danslessen. Direct na de vrijspraak in januari kondigde het Openbaar Ministerie al aan dat het tegen deze vrijspraak in cassatie zou gaan bij de Hoge Raad, maar het kon niet toen zeggen op welke gronden.

Uit de cassatieschriftuur die advocaat-generaal A.J. Molhoek heeft ingediend bij de Hoge Raad blijkt nu dat dit er twee zijn. Molhoeks belangrijkste bezwaar tegen vrijspraak is dat de auteur in zijn boek onvoldoende afstand heeft bewaard tot beledigende uitlatingen van zijn romanfiguren. Het gaat eigenlijk maar om één zinsnede: ,,maar ja, wat wil je ook, met zo'n joodje aan het hoofd''. Deze wordt in de roman toegeschreven aan een als ,,uitgedoofde pijp'' getypeerde man.

Het gerechtshof vond dat daaruit bleek dat het niet de mening van de auteur zelf was: ,,de gesproken woorden en de spreker mogen niet worden losgekoppeld''. Het Openbaar Ministerie vindt dat een auteur niet zo gemakkelijk onder zijn verantwoordelijkheid uitkomt. Het beroept zich daarbij onder meer op een uitspraak van het Europese Hof voor de Mensenrechten uit 1988 over de Zwitserse kunstenaar Müller: ,,kunstenaars zijn niet immuun''. Het Openbaar Ministerie vindt ook dat het gerechtshof de eis dat het gewraakte zinnetje moet worden beoordeeld in de context, veel te ruim heeft uitgelegd.

Een behandeling in cassatie voor de Hoge Raad is geen nieuw proces. De Hoge Raad beoordeelt de kwaliteit van de rechtsgang en gaat niet meer in op de feitelijke schuld of onschuld van de verdachte. De eerder door het Amsterdamse Hof uitgesproken vrijspraak geldt daarbij als onaantastbaar.

Anders wordt het echter, wanneer de Hoge Raad tot de conclusie zou komen dat er alleen sprake van vrijspraak heeft kunnen zijn, doordat het Hof een juridische term verkeerd heeft uitgelegd. In dat geval is er sprake van `onzuivere vrijspraak' en zou de schrijver alsnog door het Hof kunnen worden veroordeeld.