Zwaar onweer over Afrika

Ryszard Kapuscinski zwierf voor het Poolse persbureau PAP door Afrika. Hij beschrijft met liefde en gelatenheid een continent waar politieke rampen worden opgevat als natuurverschijnselen.

Met een licht gevoel van gêne herinner ik me hoe ik ooit eens heb geprobeerd Ryszard Kapuscinski na te volgen. Dat was eind mei 1991. De Ethiopische dictator Mengistu was net verjaagd en ik was met het eerste vliegtuig in Addis Abeba geland na de machtsovername. De stad werd beheerst door jonge soldaatjes gewapend met een Kalashnikov en een deken. Ze sliepen 's nachts onder hun tank en keken overdag hun boerenjongensogen uit in de grote, vijandige stad.

Ik had, wachtend in Nairobi op die eerste vlucht, Kapuscinski's De Keizer (In de Knipscheer 1984 en 98) herlezen, zijn relaas van de laatste jaren van het bewind van Haile Selassie, opgetekend uit de monden van zijn hofhouding. De Keizer was verjaagd, en zeventien jaar later had de geschiedenis zich herhaald, zij het uit naam van andere mensen en andere belangen. Ik sprak met een van de soldaten die de vorige dag tot voorlichter was benoemd en vroeg toestemming de hofhouding van de nieuwe, weggestuurde Marxistische Keizer te ondervragen. De jongen strekte zijn benen uit op het gepolitoerde, ebbenhouten bureau van zijn voorganger en peuterde in zijn neus. Waarom wilde ik praten met die misdadigers?

Dicht bij de grond

Ik kreeg een vodje papier mee en een kamer met bureau toegewezen op de campus van de School voor Politieke Wetenschappen waar de vorige machthebbers tijdelijk werden gevangengehouden. Ik kreeg anderhalve dag. Met bewonderenswaardige punctualiteit werden ze daar één voor één voorgeleid: Mengistu's persoonlijke adjudant, zijn voormalige vice-president, de premier, hoge officieren, plotseling tot machteloosheid gereduceerde mannen in trainingspakken. Allemaal nog onkundig van wat ze te wachten stond, allemaal nog een houding van arrogante lichtzinnigheid cultiverend.

Natuurlijk kreeg ik veel informatie en natuurlijk maakte ik best een aardig programma, denk ik. Maar een reconstructie à la Kapuscinksi, zeventien jaar na dato? Nee, daarvoor was anderhalve dag natuurlijk veel te weinig, de ambiance te gecontroleerd, de methode ontoereikend. Eén ding dat duidelijk wordt uit Ebbenhout, Kapuscinski's fascinerende verslag van zijn reizen door Afrika, is dat je dat continent dicht bij de grond moet bekijken, met tijd, geduld en incasseringsvermogen. Het helpt, geloof ik, als je maar weinig geld hebt en zeker niet genoeg voor een kamer in het Hilton.

Wat dat betreft had Kapuscinski, zeker bij zijn eerste Afrikaanse omzwervingen geen keus: hij was in dienst van het Poolse persbureau PAP en beschikte niet over het budget van zijn westerse collega's. Ook waren zijn boeken nog niet internationaal bekend en was hij wel gedwongen van de nood een deugd te maken. `Als een Europeaan in Afrika is', zo kan hij nu met autoriteit verklaren, `ziet hij maar een deel, gewoonlijk alleen het omhulsel, dat vaak niet het interessantste is, en misschien wel het minst belangrijke.' En zo werd hij de eerste correspondent die zich verdiepte in zaken als het wakkerworden van een Afrikaans dorp, het overleven van dorst en hitte, de bewegingen van een karavaan in de Somalische woestijn.

Kapuscinski is de beste onder ons in het beschrijven van wat zich binnen voornoemd `omhulsel' bevindt, van het Afrika van de nacht en de geesten, van de angst en de overleving. Hij observeert heel precies, in nauwgezet proza en heeft een heel overtuigende manier van dingen verklaren vanuit hun kleine, maar ware oorzaken. Zo komen we te weten waarom de oorlogen die het continent teisteren doorgaans burgeroorlogen zijn en zelden gevoerd worden tussen staten, maar ook waarom olifanten dikwijls sterven op de bodem van een meer; waarom in Afrika individualisme een vloek is, maar ook hoe de reiziger door een potentieel dodelijke kudde buffels moet laveren. Waarom er overal eten is maar de mensen toch doodgaan van de honger. Ook legt Kapuscinski heel beeldend uit waarom massaal doodgaan, dat verschijnsel dat ons door de media onverbrekelijk in samenhang met Afrika wordt vertoond, niet bestaat; het betekent dat iemand alleen doodgaat, `maar dat tegelijkertijd ook iemand anders alleen doodgaat. En even alleen nog een ander.'

Worsteling

Kapuscinski meldt in zijn voorwoord dat dit geen boek over Afrika is, want `in werkelijkheid bestaat Afrika niet, het is alleen een geografische aanduiding'. Hij citeert met instemming de Britse historicus Ronald Oliver, die verbaasd uitriep dat de deling van Afrika in feite neerkwam op een `wrede, te vuur en te zwaard gerealiseerde eenmaking. Een aantal van tienduizend werd teruggebracht tot vijftig.' Maar vervolgens ziet hij er niet tegenop gedurende dit hele boek door te generaliseren over Afrika en de Afrikaan, wiens leven er een is van `strijd, worsteling, op leven en dood. De Afrikaan is een mens die van zijn geboorte tot het einde aan het front verblijft, waar hij het opneemt tegen de hem uitzonderlijk vijandig gezinde natuur van zijn continent, en het feit dat hij leeft en kan overleven is zijn grootste triomf.'

Dat soort generalisaties is Kapuscinski, die beginselverklaring niettegenstaande, als schrijver vergeven, want het leidt tot diepe inzichten die Ebbenhout maken tot een boek dat onontbeerlijk is voor een begrip van het continent. Sterker: het zijn juist die generalisaties die je na lezing van zijn boek het langst bij blijven omdat ze naar een continuïteit van treurige maar cynische waarheden verwijzen. Kapuscinski beschrijft de ene machtsgreep na de andere, gaat van massamoord naar hongersdood, op een wijze die de lezer met gelatenheid vervult. Zoals er in Ethiopie na Haile Selassie Mengistu kwam en na Mengistu Zenawi; zoals er in Liberia na Tolbert Doe kwam en na Doe Prince Johnson, zo hebben in al die Afrikaanse landen de mensen geleerd politieke rampen als natuurverschijnselen te zien. 'Ze treden deze ook met dezelfde apathische berusting, hetzelfde fatalisme tegemoet. Als een zware stortbui, als een onweer.'

En naar aanleiding van de wel uitzonderlljk wrede ontwikkelingen in Liberia merkt hij op: `Men ziet hoe deze mensen niets tot een goed einde kunnen brengen, de situatie ze boven het hoofd groeit, dat ze het een na het ander verknoeien. En dat ze dat vervolgens, razend geworden, proberen te herstellen. Maar kan dat door te schreeuwen? Door te mishandelen? Door anderen te doden?'

Kapuscinski kan, hoe ongelooflijk het ook klinkt na al de beproevingen die hij beschrijft, hartstochtelijk van Afrika houden. In een hoofdstuk van zijn bundel De Voetbaloorlog beschreef hij, tot verbijstering van de lezer, hoe hij na een uitzonderlijk gruwelijke ervaring in Congo eindelijk vrij was en kon terugvliegen naar Rome om daar te concluderen dat hij zich er minder thuisvoelde dan `in Stanleyville of Usumbura.' En hier, in Ebbenhout, is hij lyrisch over zijn kennismaking met de Serengeti, `de grootste verzamelplaats van wilde dieren ter wereld, een wereld nog zonder Adam en Eva, en dat wil ook zeggen: zonder de zonde, onschuldig – die zie je hier op deze plek en dat is werkelijk een grootse ervaring.' Het zullen dit soort impressies zijn die hem ook afhouden van een al te somber moralisme in het aangezicht van de rampen die zich over het continent voltrekken. Juist wanneer je hebt afgeleerd je Europese normen hier aan te leggen, valt er misschien wel iets positiefs te melden – al is zelfs deze auteur daar erg terughoudend in.

Amin

Een van de gruwelijkste verhalen vinden we in het hoofdstuk over de loopbaan van Idi Amin, die afkomstig was uit de klasse van de ontwortelde, in alle Afrikaanse steden te vinden bayaye. `Ze hebben niets te doen. Niemand wacht op ze. Meestal hebben ze honger (...) overal zitten ze – passief wachtend, God mag weten waarop, levend, God mag weten waarvan – de nietsnutten van de wereld.' D

e redding van veel bayaye is een baantje in het leger – en Idi Amin vocht zich daarin omhoog tot een status van kannibalistisch heerser, die zijn land uitkleedde en ruÏneerde. Op het hoogtepunt van zijn macht sidderde heel Oeganda voor hem en zijn beulen, die hun slachtoffers in het meer bij Kampala gooiden, waar vervolgens de vissen tot gigantische proporties uitdijden.

Kapuscinski beschijft hoe zo'n bespottelijk volgevreten vis werd gevangen en op de markt terecht kwam, waar de mensen, ondanks hun lege maag, er alleen maar sprakeloos en met weinig eetlust naar keken. Toen kwam er een legertruck aanrijden, de soldaten stopten en overlegden. `Toen reden ze achteruit, sprongen op de grond en openden de klep van de laadbak. Wij zagen dat op de bodem van de bak het lijk van een man lag. En we zagen dat ze de vis naar de bak sleepten en de dode man met blote voeten voor ons op de tafel gooiden. Ze reden meteen weg. We hoorden alleen nog hun barse, uitzinnige lach.'

Die barse, uitzinnige lach hoor je nog lang nadat je dit boek uit hebt. Zo'n boek is Ebbenhout, het Afrika-relaas van Ryszard Kapuscinski.

Ryszard Kapuscinski: Ebbenhout. Vertaald door Gerard Rasch.

De Arbeiderspers, 306 blz. ƒ39,90

Onderzoeksjournalistiek