Zo stervensgraag een echte herder

Een geheel eigen plank in de onderkast verdient het zogenaamde `imitatieproza'. Het gaat dunkt mij om teksten die om het in koppelwerkwoorden uit te drukken iets willen lijken, heten of schijnen, wat zij zelf niet wezenlijk zijn. Nu komen we bij de honderdenvierendertig teksten `ter beschouwing' en `ter bespreking' die Antoine Bodar bundelde in Nochtans zal ik juichen. Deze bundel korte stukken (eerder verschenen in periodieken als Trouw, Katholiek Nieuwsblad, Het Parool of Liter) is een fraai voorbeeld van de categorie die ik noemde. Het zijn stukken die door een priester van de Moederkerk lijken, schijnen, heten te zijn geschreven en ook het voorkomen hebben van priesterlijk proza. Daarbij zijn ze ook door een priester geschreven, want Bodar werd inderdaad als zodanig gewijd. Dat geeft een intrigerende paradox.

Wat is, hoeft immers te schijnen noch te lijken, zo komt mij voor.

Antoine Bodar – daar kunnen we niet omheen – is een publieke figuur geworden. Een openbare man met een priesterboord, die het tegendeel van katholieke zelfhaat vertegenwoordigt. Er is iets dubbelzinnigs in zijn figuur, het is alsof hij ons steeds probeert te overtuigen van de geloofwaardigheid van zijn geloof. Bodars echtheid roept vragen op, zijn moeitevolle proza doet hetzelfde. Natuurlijk is Antoine Bodar een man van onbesproken traditie, dat staat als een paal boven water. Zijn expertise als kunsthistoricus – al zal ik nog een opmerkelijke Bodar-definitie van kunst citeren – hoeft van mij niet per se ter discussie te worden gesteld. Het gaat hier strikt om ouderwets herderlijke aspecten.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver van Nochtans zal ik juichen op de hoogte is van de moderne tijd, hij weet op zijn minst zijn weg te vinden naar radio en tv, dat is niet iedere tijdgenoot gegeven. In zijn stukken zegt hij ook zelf `opgewonden te raken' van op tv opgedragen zondagochtendmissen, het woord `zappen' is hem geworden en video heeft hij ook. Dan klinkt de `automobiel' waarmee hij in Nochtans zal ik juichen tot tweemaal toe `uit tuffen' gaat, ineens toch erg ouderwets. Ik stuit ook op woorden als 'meesttijds', `maaltijden' (als werkwoord gebruikt), `kering' (wending), `beangst', `teint', `tourist', `verijsd' (bevroren), `Jozeph' (Jozef), `verwijling', `familiaal aan elkaar', `neen', `ongeneesbaar', `te harent', `het me eens verworven boek', `ik tijg naar' en zo voort. Sic, et cetera. Bodars titel heb ik driemaal genoemd, die klinkt even archaïsch. Al drukt dezelfde titel natuurlijk óók uit, dat de blijheid van de auteur tegen de stroom des tijds in moet roeien. Hoe bekommerd ook het ondermaanse, zo kunnen we de 143 stukken misschien samenvatten, God, Jezus en Maria bieden hoop, troost en verlichting. En als je met het lantaarntje zoeken wil, zijn er zelfs levende en overleden stervelingen die bewijzen dat de geïnspireerde, gelovende, zoekende mens ook heel wat kan op dat verlichte hoop- en troostterrein.

Zoeken met een lantaarntje wil Bodar, hij doet dat hardnekkig, krampachtig schijnt het soms, en altijd ernstig. Humor werd deze Godsdienaar niet van God gegeven. Ik heb weliswaar gelachen, maar dat was des auteurs ondanks.

Bij voorbeeld bij het beeld van Bodar met geloken ogen achter zijn schrijftafel, terwijl hij de woordvolgorde in `Roepingenzondag was het in de katholieke Kerk twee dagen geleden' oefent.

Om herderlijke one liners als `Humor getuigt van bezinning en bezonnenheid, uit zich in prettige afstandelijkheid en wijze gelatenheid, heeft te maken met levenservaring en dus met het weten dat practijk (sic alweer) en theorie evenmin meteen met elkaar overeenkomen, als het menselijke handelen met de menselijke bestemming.'

Of om hogere omschrijvingen als: `Kunst bewijst allereerst haar dienstbaarheid – want ook zij is geroepen om te dienen – in de context waarvoor zij is bedoeld.'

Mooi, dit precieuze proza à la manière de, van een echte priester die zo stervensgraag een echte priester wil lijken, dat hij na het bidden van de Metten (niet de korte!) in een stille cel achter zijn foliant gezeten de toon van vele eeuwen Moederkerk probeert te pakken. En de preekwijze van de bedaagde herder, die hij van zichzelf moet zijn:

`In wat voor periode leven wij nu? Wij komen voor ons zelf op. Wij willen geen gedoe. Vuur laten we over aan sommige typen die toch niet wijzer worden. Wij houden van ons gemak en zitten voor onze open haarden, waarin plaatsvervangend het vuur brandt. Onze generaties gaan zappend door het leven, kiezen uit de supermarkt van de religieuze waar wat prettig is, en soezen in vergetelheid, om niet de vraag te stellen: Leef ik naar mijn bestemming? Leef ik naar mijn roeping?'

Hier valt de auteur in het gat dat altijd gaapt in imitatieproza.

Hij overdrijft. En meteen is het uit met het geloof bij de lezer, die eerst schuddebuikt om deze pose, en Bodars boek vervolgens juichend op zijn schaterplankje vol manière-teksten zet.

In de onderkast.

Antoine Bodar: Nochtans zal ik juichen. Anthos, 300 blz. ƒ49,90