Westen moet zakelijker met Rusland omgaan

Vladimir Poetin heeft zichzelf wel de anti-Gorbatsjov genoemd. In tegenstelling tot Gorbatsjov zou hij, Poetin, eenmaal president, alles doen wat nodig was om de territoriale integriteit van zijn land veilig te stellen. Dit meldt Robert B. Zoelick, voormalig onderminister en plaatsvervangend chef van de staf van het Witte Huis onder president Bush, in een artikel in The Wall Street Journal. Zoelick verduidelijkt dat Poetin zijn voornemen vorig jaar had toegelicht in een gesprek met een Europese leider. De identiteit van die leider wordt niet nader geopenbaard.

Achteraf baart Poetins uitspraak nauwelijks opzien. Als waarnemend president van Rusland heeft hij de strijdkrachten de vrije hand gelaten bij de onderwerping van de afvallige provincie Tjsetsjenië. De bevolking, moslims zowel als Russen, werd niet ontzien. Filmbeelden van Grozny tonen een met de grond gelijk gemaakte stad waar menselijk leven verder onmogelijk lijkt. Poetin heeft inderdaad alles gedaan wat, militair gesproken, nodig was om de territoriale integriteit van de Russische Federatie te bewaren. De door Zoelick opgevoerde Europese leider zal niet verbaasd zijn geweest.

Zijn wijze van oorlogvoeren heeft kandidaat Poetin afgelopen zondag geholpen bij het verzilveren van zijn verwachte verkiezingsoverwinning. Maar het zou te simpel zijn om de tweede Tsjetsjeense oorlog alleen maar te verklaren als verkiezingsstunt. Poetin ziet zichzelf als de sterke man die Rusland uit het slop gaat halen. En al heeft hij geen programma gepresenteerd, Zoelick schrijft hem drie hoofddoelen toe: het handhaven van de territoriale integriteit, herstel van het staatsgezag – waarbij de democratie en een vrije pers op de tweede plaats komen, en, als derde, herstel van Ruslands invloed in de buurlanden – die zwak moeten blijven zodat ze gedomineerd kunnen worden. Zoelick noemt dit laatste een negentiende-eeuws perspectief.

Het Amerikaanse, en het Europese, perspectief is daarentegen 21ste-eeuws. Gezonde, welvarende en democratische buren zullen voordelen bieden, terwijl landen in moeilijkheden problemen zullen exporteren, schrijft Zoelick. In zijn zienswijze lijkt Rusland in de laatste categorie te zijn terechtgekomen. Met het oog op de mogelijkheid dat president Clinton vóór zijn aftreden met Poetin nog snel zaken wil doen, waarschuwt Zoelick dat dit voor Clintons opvolger een armzalige erfenis kan achterlaten. ,,De verkeerde signalen nu zouden later een terugslag kunnen betekenen voor de VS, de Europese Unie en zelfs Rusland'', schrijft hij. Hier spreekt iemand uit de entourage van de Republikeinse presidentskandidaat, Bush junior, die de bui ziet hangen.

De regering-Clinton wenste zich een ,,strategisch partnerschap'' met Rusland. In april 1996, de eerste Tsjetsjeense oorlog was in volle gang en Jeltsin stond voor zijn herverkiezing, liet zij daarover geen misverstand bestaan. In de marge van een topgesprek in Moskou ging de woordvoerder van het State Department toen zelfs zover de onderwerping van Tsjetsjenië te vergelijken met de Amerikaanse burgeroorlog in de jaren zestig van de negentiende eeuw. ,,We hebben als democratie een lange geschiedenis, inbegrepen een episode in de geschiedenis van ons land waar wij optraden tegen een afscheidingsbeweging door middel van een gewapend conflict dat de Burgeroorlog wordt genoemd'', verklaarde de woordvoerder om het begrip van de Amerikaanse regering voor Jeltsins perikelen te onderstrepen. Na zijn zorg te hebben uitgesproken over de Russische tactiek – ,,die heeft geleid tot veel meer doden dan naar onze mening het geval had behoren te zijn'' – zei de woordvoerder: ,,Dit is een zeer breed, zeer belangrijk strategisch partnerschap voor de Verenigde Staten van Amerika (...) Dit wordt niet bepaald door een episode zoals de huidige crisis in Tsjetsjenië.''

In de Amerikaanse benadering van het Tsjetsjeense conflict is sindsdien weinig veranderd. Ook gedurende de tweede Tsjetsjeense oorlog heeft Amerika zijn zorg uitgesproken over de Russische tactiek – die, zo mogelijk, nog gewelddadiger was dan in de eerste. Maar daarbij is het gebleven. Poetin, door Jeltsin naar voren geschoven, is door de Amerikanen nog voor zijn verkiezing omarmd als wellicht niet een democratische belofte, maar dan toch als een leider die over het vermogen beschikt om in het verloederde Rusland orde en gezag te herstellen. En ook nu weer geldt als dogma dat de verdediging van de integriteit van de Russische Federatie een legitieme aangelegenheid is.

Het erkende belang van het `strategisch partnerschap' heeft intussen niet verhinderd dat Washington het van tijd tot tijd zelf onder druk heeft gezet. De uitbreiding van de NAVO tegen Ruslands wil in, de interventie van de NAVO in Kosovo zonder een mandaat van de VN-Veiligheidsraad, de onderhandelingen buiten Rusland om met voormalige Sovjet-republieken over exploitatie van olie- en gasvelden hebben het Kremlin bij voortduring op de proef gesteld. Vooral de inval in Kosovo veroorzaakte een dieptepunt in de wederzijdse betrekkingen waarbij Moskou het overleg in de Rusland-NAVO-Raad zelfs voor een tijd heeft onderbroken. Het Amerikaanse voornemen om een beperkt antirakettenschild te bouwen, voorspelt voor de komende jaren eveneens de nodige ergernis tussen de twee mogendheden. De Amerikaanse wens het zogenoemde ABM- verdrag uit 1972 aan te passen, stuit in Moskou op principieel verzet.

Hoe een toekomstige Amerikaanse regering de `anti-Gorbatsjov' zijnde Poetin zal willen bewegen het partnerschap hoog te houden, valt niet te voorspellen. Er blijven mogelijkheden – als de voorspelling bewaarheid wordt dat ook Poetin Rusland niet zal willen isoleren, al was het maar omdat hij de revenuen van de wereldmarkt bij de opbouw van zijn land niet zal kunnen missen. Ruslands lidmaatschap, als achtste deelnemer, van de exclusieve G-7 is wat dat betreft symbolisch. Het kwam tot stand onder zware druk van de Clinton-regering.

Maar voorwaarde is wel dat de lessen van de afgelopen acht jaar worden geleerd. Rusland is niet langer de kameraad met wie het goed kersen eten is en die aan de hand van bereidwillige adviseurs uit het Westen de 21ste eeuw wordt binnengeloodst. Het is een mogendheid met een eigen voorstelling van zijn nationale belangen en het heeft nu een leider die daarvoor erkenning eist. Het antwoord moet zijn dat ook het Westen belangen heeft en bereid is daarvoor op te komen. Het trekken van omstreden historische parallellen kan beter achterwege blijven. Beproefde diplomatie moet alsnog een kans krijgen.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.