Wagenziek van de wereld

De titel suggereert een culinaire bestelling, maar het gaat om andere lusten. Zeehond, dat zou de hoofdrolspeelster in deze debuutbundel het liefst willen zijn. En dan applaus ontvangen `voor uw lenig spek dat overheerlijk/ de kant op kletst'. Juichend door het leven de lucht in worden geworpen en weten: `vrolijk vet maakt elke landing zacht.'

Zeehond graag is een bundel vol illusies, met een bovenal illusieloze boodschap. De opgewonden formulering ten spijt, is het titelgedicht geen verslag van een avontuur, maar een hartenkreet van verlangen naar opwinding. Marjoleine de Vos laat haar protagoniste, mevrouw Despina, veertien regels lang snakken naar een moment van gedreven beweeglijkheid, van gratie in een leven dat in zichzelf lijkt te zijn gestold. Ook in de verzen die niet over mevrouw Despina gaan, wordt die stilstand herhaaldelijk in beeld gebracht. Heel treffend soms, zoals in de slotregels van `Midden in het leven':

In het museum van Madame Tussaud zit ik

voor altijd achter het raam, uitzicht op dahlia's.

Hoe truttig ook, dat uitzicht is belangrijk, want bij alle gebrek aan illusies blijven de zintuigen wijd open. En daardoor is er, althans voor de lezer, in Zeehond graag veel te beleven.

Maar voor mevrouw Despina biedt het leven vooral desoriëntatie. `Wagenziek van de wereld' hangt ze 's avonds op de bank. Ze wordt bewoond door iemand die ze niet wil kennen. En in de lente, als de ogen van de mannen en hun hunkerende gebaren `Oh Despina de tijd is nu' fluisteren, realiseert ze zich wat de tijd met haar doet:

Natuurlijk heeft ze haar geestesleven, hemelse muziek

vriendinnen met wie het lachen nog net zo is

in haar armen de liefde uitbundig geborgen

en van de giro mag ze wat haar hart begeert.

Mevrouw Despina trekt de stop uit het bad, hangt

een lichtgrijze voile voor de dagen en schopt

voorzichtig tegen haar jaren. Verbijt wat

niet kwam en staart zich aan. Het is nu.

Ik ben `steeds meer onzichtbaar, zelfs voor mij', onthult de slotregel van het laatste gedicht in Zeehond graag. `Wie is toch Despina?' heet dat vers, maar een antwoord blijft uit. Even wordt gesuggereerd dat ze haar naam ontleent aan het opschrift op een winkelpui: `Despina, antiek.' Maar daarmee lijkt Marjoleine de Vos haar lezers moedwillig op een dwaalspoor te willen brengen. Het woordenboek biedt ook hier meer duidelijkheid dan de poëzie. Het Latijnse `spina' en het Spaanse `espina' verwijzen naar al wat puntig is of scherpe kanten heeft: doorn, graat, dus ook ruggengraat, maar evenzeer argwaan. verdenking, en knagende smart en twijfel.

Zulke puntigheden vervullen een sleutelfunctie in wat in Zeehond graag wordt betoogd. Ook als dichter beweert Marjoleine de Vos immers meer dan dat ze zingt. Uit haar columns en artikelen in deze krant blijkt al jarenlang dat haar kijk op poëzie vooral inhoudelijk is. In Zeehond graag is de versvorm dus beperkt tot een adequaat parlando, dienstbaar aan de boodschap. Die boodschap is eenduidig, maar wordt op verschillende niveaus gebracht. Het is aardse poëzie, maar de dichter beschikt over een kosmos van metaforen. Met een macht aan beelden verwoordt ze bijvoorbeeld de onmacht van woorden. Zo schetst ze in `Niets is voorstelbaar' een eiland in de verte. Het is bewoond, ligt wit tegen een heuvel, heeft een plein – maar waar ligt het? `Woorden,' stelt Marjoleine de Vos, `waar is die wereld, hier is het nu.'

Niets is voorspelbaar, het daar niet, het straks

niet en zeker het nu niet omdat het voorbij is.

Een leeg huis in de zomer. Je moet het geloven

het staat op die schim daar, dat is het eiland.

Geef al je woorden, je kunt er niet heen.

Niet altijd is de boodschap zo goed verpakt. Vooral waar de beeldtaal aan het bijbelgoed is ontleend, verliest de taal van De Vos soms spankracht. Dan wint de retoriek het van de poëzie. In `Tot Saul' gebeurt dat doordat de dichter zich, anders dan in de meeste verzen, niet vereenzelvigt (of vereenzelvigen laat) met het onderwerp. Maar zulke momenten zijn spaarzaam in Zeehond graag. In een vierdelige reeks over Dido en Aeneas brengt juist vereenzelviging de tragedie binnen handbereik. `Dido, c'est moi' luidt dan ook de titel van het eerste vers in dit kwartet.

En dan is er telkens weer mevrouw Despina. In dertien van de vierenderig gedichten speelt ze het alter ego van de dichter. Illusieloos, soms angstig, dan weer duizelend, genietend en `verrukt van goudgeel blad', maar even wispelturig als karaktervol. Ze zingt een psalm, maar gaat daarbij niet door de knieën. Kortom, ze is springlevend in een leven waarin `nu' en `voorbij' elkaar het belang betwisten.

Zeker, mevrouw Despina is het Hollandse nichtje van meneer Cogito, de held en antiheld van de gelijknamige dichtbundel van Zbigniew Herbert. Maar het zou kortzichtig zijn om haar alleen als zodanig te beschouwen. Marjoleine de Vos heeft in haar artikelen jubelend de loftrompet gestoken over Herberts poëzie, en de invloed van zijn werk is in haar poëzie aanwijsbaar. Maar Zeehond graag is allerminst het werk van een epigoon. Het is een vooral eigenzinnig debuut, dat speels en helder uiting geeft aan de verwarring die `leven' heet.

Marjoleine de Vos:

Zeehond graag.

Van Oorschot, 38 blz. ƒ27,50

Nederlandse literatuur