Vuile handen en volle schepen

Er valt een opleving te bespeuren in de bestudering van de Nederlandse slavenhandel. Niet alleen historici schrijven erover, ook auteurs die buiten het wetenschappelijk milieu opereren. Vaak met succes.

Hiernaast staan vier citaten afgedrukt uit vier boeken over de Nederlandse slavenhandel. Alle vier door Nederlanders geschreven en alle vier onlangs verschenen. Er zijn ook verschillen: het eerste is een historische studie geschreven door een zakenman, het tweede een proefschrift door een historica, het derde een historisch verhaal door een journalist en het laatste een roman door een historicus.

Vanwaar die bonte belangstelling voor deze zwarte bladzijde uit de vaderlandse geschiedenis? Is het een van de vormen waarmee rekenschap wordt gegeven van misdaden in het verleden en waaronder nu, in dit mooi afgeronde jaar, menig regering, kerkvorst of bedrijf definitief een streep lijkt te willen zetten? En is hier sprake van branchevervaging en groeien geschiedwetenschap en historische fictie naar elkaar toe?

Op die eerste vraag luidt een mogelijk antwoord dat de historiografie van het zelfverwijt ook hier toeslaat. Het einde van een reeks slavenboeken is nog zeker niet in zicht. Binnenkort verschijnt alweer een nieuwe studie, van de Leidse historicus Pieter Emmer, die afgaande op zijn eerdere onderzoek vermoedelijk wel stof zal doen opwaaien omdat hij juist níet aan zelfverwijten doet. Nederlandse archieven doen intussen hun best de bronnen beter toegankelijk te maken, er zijn tentoonstellingen over het onderwerp in voorbereiding en nog deze week kwamen de plannen voor een monument ter nagedachtenis van de slaven opnieuw in het nieuws.

Toch is de belangstelling voor de slavenhandel en slavernij al ouder. Hoewel veel later dan in de Verenigde Staten, waar sinds de jaren zestig een kleine industrie rond het onderwerp is ontstaan, is ook in Nederland de laatste twee decennia toenemende belangstelling voor dit onderwerp te bespeuren, zowel in de wetenschap als in de literatuur. Nieuw is in ieder geval wel de verhoogde emotionaliteit in het openbaar debat. De tweede vraag, naar de branchevervaging, is moeilijker te beantwoorden. Daarvoor moet er eerst gelezen worden.

Lucratieve handel

Nederlanders in West-Afrika beschrijft de beginjaren van de Nederlandse activiteiten op de westkust van Afrika. Daar ging het aanvankelijk helemaal niet om slaven. Nederlanders voeren in het spoor van de Portugezen naar Afrika, nadat ze ontdekt hadden dat daar een lucratieve handel te voeren viel: ijzer, wollen stoffen, glaswaren en, jazeker, spiegeltjes en kralen tegen huiden, ivoor, tropisch hout, bijenwas en goud. Maar dat commerciële motief was niet eens het belangrijkste. De Nederlanders voeren ook de Atlantische Oceaan op om de Spanjaarden en Portugezen in militaire zin schade toe te brengen. Op beide fronten – handel en oorlog – had men succes. Maar vanaf 1621 veranderde er iets fundamenteel: om al die overvallen op Portugese en Spaanse schepen en vestigingen te concentreren werd de West-Indische Compagnie opgericht, die van de Staten-Generaal de concessie kreeg om als enige vanuit Nederland handel te voeren in het hele Atlantische gebied. Zo werd met vereende krachten de druk op de Portugezen opgevoerd.

De auteur van dit boek, Klaas Ratelband, was werkzaam bij het Zuid-Afrikaanse Handelshuis, dat vele vestigingen had in de Portugese kolonies. Hij kent de locaties uit eigen waarneming en heeft zich bovendien uitstekend ingewerkt in de Nederlandse en Portugese archieven. Ratelband, die in 1981 overleed, schreef zijn studie al tijdens de oorlogsjaren en nu pas is het handschrift uitgegeven. Het is een gedetailleerd overzicht van het optreden van de Nederlanders in Afrika en, onlosmakelijk daarmee verbonden, in Brazilië. Daar lag de verklaring van de Nederlandse slavenhandel. Pas toen de Nederlanders grote delen van Brazilië op de Portugezen hadden veroverd werd de behoefte aan slaven namelijk acuut. De suikerrietplantages waren nu wel in hun handen gevallen, maar planters en slaven waren gevlucht en om ooit die suikereconomie weer op gang te helpen waren arbeidskrachten nodig.

Zo begaf de WIC zich vanaf 1635 aarzelend in de slavenhandel, of zoals het in een vergadering van de directeuren der WIC heette, nam zij zich voor `instantelick aen te houden dat den handel van de swerten werde int werck gestelt'. Maar daarvoor moesten ook de strategische posten, de forten en de slavendepots op de Portugezen veroverd worden. Elmina aan de Goudkust werd genomen in 1637, Sao Tomé in de Golf van Guiné in 1641 en daarna volgde Luanda in Angola. Nu was de weg vrij voor een winstgevende mensenhandel. Om een idee te geven: slaven uit de Kongo werden gekocht voor honderd gulden per stuk en in Brazilië verkocht voor vijfhonderd tot zeshonderd gulden. Uit andere gebieden, waar men de `kwaliteit' minder achtte, lagen de prijzen lager. Hierin waren natuurlijk niet de overheadkosten begrepen.

Ratelbands verhaal is een grimmig relaas, een aaneenschakeling van aanvallen vanuit Brazilië op de Portugese slavencentra in Afrika. Die aanvallen werden vanuit Brazilië gecoördineerd, maar vielen formeel onder het beleid van de WIC-directeuren in Nederland. Voor een slagvaardige politiek was dat een ramp; keer op keer staan de militair-strategisch gewenste acties haaks op de louter op profijt gerichte verlangens van de heren in Nederland. Aan alles was bovendien permanent gebrek. Men voer met wormstekige schepen en eenmaal op de ziekmakende westkusten van Afrika, met hun hitte en eindeloze regenbuien, stierven de Europese matrozen en soldaten bij bosjes aan malaria, honger en dorst. Op klachten hierover – als die al aankwamen in het vaderland –, kreeg men te horen dat men niet moest zeuren en dat de handel nu maar eens voortvarend moest worden aangepakt. En wat de gezondheid betreft: er groeiden daar warempel toch wel geneeskrachtige kruiden? En met sterke drank en flink bidden zou men het best rooien. Een bevelhebber in Angola schreef dat `al onse brieven met clachten begont, ende met clachten geeyndigt moeten worden'. Als de directeuren hem niet zouden geloven `soo sien wij voor oogen dat wij alhier in misere en ellende sullen moeten vergaen'.

Onthutsend beeld

De Nederlanders hebben het in Angola en Sao Tomé weten vol te houden tot 1648, toen moesten ze wijken voor de Portugese overmacht. Brazilië ging verloren in 1654. De Nederlandse slavenvaart concentreerde zich daarna op de Golf van Guiné met Elmina als centrum. Deze vestiging bleef stevig in Nederlandse handen en wel heel lang: tot 1872.

Ratelband behoort tot het nu bijna uitgestorven type auteur, afkomstig uit het bedrijfsleven en de marine, die zich als autodidact met succes bekwaamd heeft in het historisch handwerk. Zijn boek vult een leemte in de geschiedenis van de Atlantische handel. Het is een verantwoord werk dat door zijn zakelijke stijl een onthutsend beeld geeft van de slavenhandel maar ook van het lot van die duizenden Europeanen die op de Afrikaanse forten crepeerden.

Ligt bij Ratelband het accent op de militaire acties en hoort men de zeilen klapperen en de mortieren dreunen, in Van goederenhandel naar slavenhandel, het deze maand verdedigde proefschrift van mevrouw Reinders Folmer-Van Prooijen, ziet men eerder de directeuren delibereren, de boekhouders rekenen en de klerken pennen. De studie behandelt de in 1720 opgerichte Middelburgse Commercie Compagnie, die zich ten doel stelde de handel en scheepvaart van Middelburg te bevorderen. Deze compagnie is vooral bekend geworden als een succesvol slavenhandelsbedrijf, maar is, toont de auteur aan, zeker niet zo begonnen. Om erachter te komen wanneer en waarom men zich op de slavenhandel ging concentreren, heeft zij het bedrijf minutieus, feitelijk en systematisch doorgelicht op grond van het bewaard gebleven compagnie-archief. Ze beschrijft de schepen, de equipage, het personeel, de ladingen, bespreekt de risico's en de verzekeringen en berekent de winsten en verliezen. Over de behandelde periode was die winst niet groot: geen enkele aandeelhouder had reden tot juichen. Het ging beter toen men afzag van de kwakkelende handel in Europa en vanaf 1740, zij het aarzelend, slaven ging inkopen en overbrengen naar Curaçao en vandaar met aldaar ingekochte goederen naar huis zeilde. Dat werd onder andere mogelijk omdat de WIC haar monopolie had losgelaten. Andere Nederlandse schepen mochten nu tegen betaling ook deelnemen aan de Atlantische handel.

Deze studie leidde onder andere tot de conclusie `Het verschil dat wij heden ten dage zien tussen het verhandelen van goederen en van mensen, was voor de directeuren en het personeel van de compagnie geen punt van overweging. Nergens is sprake van enig besef bezig te zijn met een ethisch niet-aanvaardbare handel.'

Slaaf Jacobus Capitein

Dat men in het openbare leven in die periode wel degelijk in zijn maag zat met deze morele kwestie mag blijken uit 's Heeren Slaaf van Henri van der Zee over de lotgevallen van de Ghanees slaaf Jacobus Capitein. In 1725 had een Zeeuwse kapitein aan zijn vriend Jacob van Goch, een oppercommies van de WIC aan de Goudkust, een jonge slaaf geschonken, die hij Jacob Capitein noemde. Drie jaar later nam hij hem mee naar Nederland, waar Capitein een vrij man werd. Ze vestigden zich in Den Haag en Capitein kreeg goed onderwijs. Hij werd gedoopt en begon een theologiestudie in Leiden, die hij afrondde met een proefschrift over de slavernij. De `Afrikaanschee Moor' was toen al een bezienswaardigheid in Holland, maar zijn dissertatie maakte de zaak nog merkwaardiger. Hij verdedigde namelijk de slavernij. De bijbel was zijn getuige. De zwarten stamden immers af van Cham, de vervloekte zoon van Noach. En Cham werd tot knecht van zijn broers gemaakt; zijn nageslacht was daarom gedoemd te dienen.

Capitein werd een beroemdheid door dit vele malen herdrukte geschrift. Het kwam menig koopman ook goed uit. Capitein werd predikant en voer in dienst van de WIC terug naar Afrika om het evangelie te verkondigen. Dat ging niet goed. In twee jaar had hij nog maar één zwarte kunnen dopen. De ene ouderling na de andere stierf, op zijn catechesatieles kwam vrijwel niemand en het absenteïsme in de kerk was hoog. Aan de classis Amsterdam schreef hij dat hij door de mensen die `in zeeden bedorven zijn', `gehaet, veragt, belaegt en vervolgt' zal worden. Na lange tijd krijgt hij antwoord dat zijn eigen gedrag ook niet deugt. Het wordt nog erger wanneer Capitein een gokje waagt in de handel, en verliest. Hij maakt reusachtige schulden, wordt veroordeeld om die terug te betalen, wat hij onmogelijk kan. De dood verlost hem in 1747 uit zijn lijden, 29 of 30 jaar oud. De treurige geschiedenis is door de oud-journalist Henri van der Zee bekwaam gereconstrueerd en onderhoudend beschreven.

Het eigenaardigste boek van dit kwartet is Christina van Cornelis Goslinga. De historicus Goslinga publiceerde veel over de Nederlandse handelsactiviteiten in het Caraïbisch gebied en begaf zich ook op het pad van de bellettrie. Aan het eind van zijn leven schreef hij dit boek, een roman. Hij stierf dit jaar, kort voor de publicatie. De roman gaat over de 24-jarige dochter van een Amsterdamse bewindhebber van de WIC, die in 1712 op een schip naar Elmina vaart om daar te trouwen met haar verloofde. Deze blijkt vermoord te zijn en zij besluit op het schip te blijven en de oversteek mee te maken naar Curaçao op dit schip, volgestouwd met honderden slaven. Op de tocht groeit een romance met de schipper, met wie ze op volle zee in het huwelijk treedt. De schipper sterft echter – evenals talloze slaven – aan de pokken en Christina komt als weduwe aan op het eiland, waar haar oom gouverneur is. Hier maakt ze niet alleen de gruwelijke praktijk van de slavenveilingen mee, maar raakt ze ook verwikkeld in de intriges van de blanke bevolking. Christina erft huizen en plantages van haar schipper, slaat een huwelijksaanzoek af, heeft een relatie met een slavin, krijgt te maken met de inval van Franse kapers op het eiland, staat op het punt te trouwen met een soldaat, die helaas wordt vermoord door haar jaloerse slavin. Uiteindelijk leeft Christina met een kind van haar vermoorde verloofde, nog lang en gelukkig op het eiland.

Het is een raar, ouderwets boek. Het is weliswaar leerzaam omdat wat Goslinga schrijft in principe misschien had kunnen gebeuren en je er het een en ander over de slavenhandel van opsteekt. Maar de spreektaal doet onwerkelijk, houterig aan; het is de taal van de onderwijzende historicus die de onwetende Christina vragen laat stellen die gretig en uitvoerig worden beantwoord door schippers, stuurlieden, gouverneurs en predikanten. De personages vertonen geen psychologische diepgang. Christina blijft het hele boek door een ideale, verstandige vrouw, die onveranderlijk duizelig wordt danwel flauwvalt als de emoties haar te machtig worden. Met haar zuivere, morele overwegingen weet ze zelfs haar kapitein tot een zekere gewetenswroeging te bewegen.

Mythevorming

Door alle boeken wordt het beeld bevestigd van directies in Nederland die naar rendement keken en niet naar mensenlevens. Die zich niet bekommerden om het lot van hun personeel in de tropen, laat staan over dat van de slaven. Ook zien we het beeld van een ruwe samenleving van matrozen en huursoldaten, van een kader van officieren en hoge WIC-dienaren waar corruptie eerder regel dan uitzondering was. Allen permanent bedreigd door ziekte, hitte en geweld. Troost boden drank, vrouwen en de hoop om met gage, een deel van wat buit en de opbrengst van illegale handel, ooit weer levend Europa te bereiken. Ook wordt duidelijk dat men geen historicus hoeft te zijn om een verstandig boek over het verleden te schrijven en dat een historicus, al is hij nog zo ingevoerd in de materie, nog geen romancier is. De koopman Ratelband hield zich aan de feiten en schreef een bij vlagen adembenemend boek. De historica Reinders Folmer heeft een mooie economisch-historische studie verricht voor een gespecialiseerd publiek en maakt het niet levendiger dan de bronnen haar toelaten. Van der Zee heeft zich goed gedocumenteerd, houdt zich aan de bronnen, maar kan het met zijn journalistieke achtergrond niet laten af en toe een vleugje impressionisme toe te voegen. De historicus Goslinga combineert kennis en fantasie en dat mag, want het is een roman. Maar het ontbreekt hem aan stilistische vaardigheden.

Het gaat in de geschiedschrijving onder andere om bronnenkennis, controleerbaarheid, coherentie en een heldere manier van schrijven. Fictie is een ander vak. Het is goed die twee gebieden gescheiden te houden. En dan nog kan het in beide genres misgaan. Waarom zou een historicus zich overigens in de literatuur willen begeven? Het risico van sentimentaliteit en mythevorming is groot. Wie werkelijk de bronnen bestudeert hoeft niets te verzinnen. Hij ziet vanzelf hoe wrang het verleden kan zijn.

Klaas Ratelband: Nederlanders in West-Afrika 1600-1650. Angola, Kongo en Sao Tomé. Bezorgd door René Baesjou. Walburg Pers, 320 blz. ƒ49,50

C. Reinders Folmer-van Prooijen:

Van goederenhandel naar slavenhandel.

De Middelburgse Commercie Compagnie 1720-1755. Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Middelburg, 222 blz. ƒ45,-

Henri van der Zee: 's Heeren Slaaf.

Het dramatische leven van Jacobus Capitein. Balans, 176 blz. ƒ34,90

Cornelis Goslinga: Christina. Historische roman over de Nederlandse slavenhandel. Primavera Pers, 472 blz. ƒ45,-

Slavenhandel