Vertwijfeld verliefd op het leven

Het was een wereld van hofbals en ruisende avondjurken, van Liebesabenteuer und Tanzvergnügen, en van hypocrisie ook. Wenen rond 1900, de Donaumonarchie loopt ten einde, de `kaiserliche und königliche' heerschappij oogt nog krachtig maar is geleidelijk van binnen aan het afkalven. Rond 1900 teren de Weners nog op de lichte levensvreugde en de hartstochten van hun onsterfelijk gewaande keizerrijk. De liberaal-aristocratische omgangsvormen blijven bestaan, maar het hart ontbreekt, en over alles ligt een onbestemd waas van het spoedig voorbije. De vitaliteit van de voorvaderen ontbreekt.

Het leven werd melodrama, in dit opzicht een beter woord dan komedie. De toneel- en prozaschrijver Arthur Schnitzler, geboren in Wenen in 1862 en gestorven op zijn werkkamer in dezelfde stad in 1931, maakte deze geleidelijke `Werdegang' van zijn stad en inwoners van nabij mee, hij maakte deel uit van de hogere kringen. Zijn onderwerp is Wenen. Hij werd de `Diagnostiker der Seele' genoemd, en dan vooral van de Weense ziel waarop zijn tijd- en stadgenoot Freud evenzeer verzot was. Die Weense ziel, zoals Schnitzler die uitbeeldde in schitterende toneelwerken en prozaboeken is suspect en krachteloos, getuigt van een niet te temperen passie voor het andere geslacht met alle dubbele verhoudingen, geheimzinnigheid en zelfs zelfmoorden tot gevolg. Schnitzler vond in de Italiaanse vertaler van zijn werk, Giuseppe Farese, hoogleraar Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Bari, een biograaf die met verve de liefdesavonturen van Schnitzler en zijn nabije omgeving uit de doeken doet.

Al vanaf zijn zeventiende, hield Schnitzler een dagboek bij, onontbeerlijk materiaal voor een biograaf. Op 10 maart 1887 noteert Schnitzler, nadat hij tot inzicht is gekomen dat trouw aan een vriendin onmogelijk is: `en tal van andere meisjes dienen zich aan!' De biograaf voegt er vol instemming aan toe: `En dat zijn er niet weinig: Helene Kanitz, een jonge, kokette Hongaarse en bekoorlijk zangeres, de zoete Malvine, Gisela, de Française Lina en nog vele anderen, die Arthurs gevoelens voor Olga aan het wankelen brengen.'

Deze Olga is Olga Waissnix, Schnitzlers vriendin en latere vrouw, moeder van zijn dochter en zoon.

Na zijn eerste ontmoeting met Olga was Schnitzler geen rust beschoren. In zijn dagboek van 8 oktober 1886 schrijft hij de tekst over, die hij in een brief aan Olga stuurde: `Weet u dat een blik van u mijn leven is? Dat de klank van uw stem mij gek maakt? Dat mijn leven op hetzelfde ogenblik moet ophouden –, als ik er niet van overtuigd ben dat u van mij houdt? Ik moet u weerzien, ik moet. Heeft u er een vermoeden van, hoe ik u liefheb? Als een bezetene.'

Catastrofe

Deze hooggestemde liefde kan niet eeuwig duren, de 24-jarige Schnitzler weet dat en is er bang voor. Later in zijn dagboek zal hij klagen over zijn drang tot ontrouw, juist gevoed door die angst. In de analyse van deze zowel hartstochtelijke als onevenwichtige Schnitzler, ook nog eens gekoppeld aan zijn dubbelhartige tijd, is Farese een grootmeester. Na de gepassioneerde woorden, 's avonds laat aan Olga geschreven, ziet Schnitzler haar inderdaad de volgende dag: ze staat achter het venster, wuift, ogen vol tranen – en Schnitzler voelt niets anders dan distantie. Hij vertrekt. Koeltjes staat er: `Sindsdien heb ik haar niet meer gezien.' Ook dat zal weer veranderen.

De biograaf laat zich vervolgens gaan in een glanzende volzin, waarin hij Wenen en deze beide mensen vangt: `Van april tot oktober kan er veel gebeuren, kan een liefde ontstaan en vergaan, kan een nooit vervulde liefde op slag veranderen en het leven van twee mensen in het licht van een fin de siècle naar de voorgrond schuiven, waarin het gist van onrust en revolutionaire gebeurtenissen en waarin alles gedoopt is in een atmosfeer van onzekerheid: het voorspel tot een niet meer verre catastrofe. Van beide zal Arthur degene zijn, die het turbulente verloop van deze bijzondere hartstocht met grote scherpzinnigheid analyseert, omdat hij het einde vermoedt.'

Die catastrofe zal kort daarop zijn beslag krijgen. De grotendeels liberale politieke lijn van de stad verliest invloed. Er ontstaat, rond 1895, een reactionaire wending onder invloed van de latere burgemeester Karl Lueger. Hij wakkert het antisemitisme aan, vreemdelingenhaat neemt toe, vooral jegens de arme joden uit de Bohemen die in de Oostenrijks-Hongaarse wereldstad een veilig heenkomen zoeken. Ook Arthur Schnitzler, afkomstig uit de ontwikkelde joodse burgerij, wordt het slachtoffer van deze veranderde mentaliteit.

Reconstructie

Farese heeft een elegante manier van schrijven. Ogenschijnlijk moeiteloos, vaak op het lichtzinnige af, verbindt hij leven met werk en vervolgens het leven en werk met Schnitzlers tijd. Noten ontbreken, wel is het boek voorzien van een indrukwekkende literatuurlijst. Een befaamd werk als Fin-de-siècle Vienna. Politics and Culture (1980) van Carl E. Schorske ontbreekt, terecht, niet in het overzicht van secundaire literatuur, maar het is onduidelijk welke aspecten en inzichten Farese heeft gebruikt. De honderden titels zijn door hem geabsorbeerd en verweven in Schnitzlers levensverhaal en de geschiedenis van zijn tijd. De werkwijze van de biograaf is die van de `reconstructie`. Daarbij bieden primaire bronnen, als het dagboek en de talrijke briefwisselingen van Schnitzler, hem uitstekend materiaal.

Toch had hij moeten vermelden dat dagboek en brieven weliswaar rijke en onmisbare getuigenissen bieden, maar elk dagboek is ook een vertekening, hoe authentiek de stem van een dagboekschrijver mag klinken. Farese noemt Schnitzlers dagboeken een `getrouwe spiegel van zijn ziel'. Daarmee kan hij als biograaf onbekommerd uit de voeten; ik had iets meer bekommernis gewild en toetsing van de bron.

Soms proef ik in de passages uit Schnitzlers brieven of dagboek meer ironie dan Farese, bijvoorbeeld in dit fragment van een brief aan zijn vrouw, uit augustus 1900: `Tegenover de natuur sta ik in werkelijkheid hartelijker, ja, dat is het woord, hartelijker dan al het andere op de wereld en ik ben ervan overtuigd dat ik van de landschappen en van de lucht, die mij omringt, meer geluk of tenminste meer rust heb ontvangen dan van symfonieën, vrouwen en schilderijen.'

In de weergave van Schnitzlers gespleten persoonlijkheid is deze biografie prachtig geslaagd. Net als Tsjechov was Schnitzler arts en toneelschrijver tegelijk en evenals zijn Russische collega twijfelde hij tussen beide roepingen. De hoofdstukken hebben veelzeggende titels als `Roem en twijfel', `Het drama van de zoete meisjes', `Het gedeelde Ik' of `De antiheld der berusting'. Farese borduurt voort op Schnitzlers eigen waarneming dat hij `een op het leven verliefde vertwijfelde' is. Die innerlijke verdeeldheid, die tweespalt, is Schnitzlers wezenstrek – en het is ook de Weense tijdgeest.

In 1912, op het hoogtepunt van zijn roem, noteert hij de voorwaarden voor zijn begrafenis, die van `de laagste klasse' moet zijn: `geen kransen', evenmin `het rituele bijwerk' en al helemaal geen `rouw' dragen. Hij is dan vijftig. Overal in en buiten het Habsburgse rijk worden zijn toneelstukken opgevoerd. Professor Bernhardi, een ethisch-politiek stuk, viert triomfen. De schrijver van het omstreden werk Reigen (Reidans, 1896-'97) voelt zich, op zijn vijftigste, in een crisis. Zijn huwelijk met Olga dreigt vast te lopen. Zijn dochter Miliz is zwaar melancholiek; ze zal verliefd worden op een fascist in Venetië en naderhand zelfmoord plegen.

Reigen

Als geen ander stuk van Schnitzler geeft Reigen de huichelachtigheid weer die Farese situeert in de verbrokkelde Weense samenleving. Het stuk is opgebouwd uit tien dialogen tussen een man en een vrouw, zoals een officier en een straatmeid, een graaf en een toneelspeelster, een schrijver en een kamermeisje, een bezoeker en een prostituee. Telkens draait de liefde slechts om een nacht. Het stuk maakte Schnitzler beroemd en ook verguisd. De Weense burgerij herkende haar dubbelzinnige moraal in deze vergeefse rondedans om de ware liefde. Toneel was noodzaak in die tijd, het was de maskerade voor overspel en dubbele moraal. Bedrog en ontrouw werden toegedekt door verfijnde omgangsvormen. Liebelei betekende Schnitzlers werkelijke doorbraak. In 1895 beleefde het stuk zijn première in het Burgtheater. De kern is eenvoudig: wat voor de man een kortstondige flirt is, betekent voor de vrouw een grote en liefst altijd durende passie.

Dank zij Schnitzlers werk komt een tijd tot leven. In 1900 verschijnt Freuds Traumdeutung. De psychoanalyticus zoekt toenadering tot Schnitzler. De laatste ontvangt op zijn zestigste verjaardag een openhartige brief van Freud, waarin deze bekent Schnitzler gemeden te hebben uit angst in hem een `dubbelganger' aan te treffen. Want ook Schnitzler onderwerpt het onbewuste, het `lustprincipe', aan diepgaand onderzoek. Freud ziet in dat Schnitzler door `intuïtie' ontdekte wat hijzelf door moeizame analyse pas begreep. Dat de mens door tegengestelde krachten wordt beheerst: verlangen naar liefde en vrijheid, eros en doodsdrift, trouw willen zijn en het niet kunnen.

Heel die Weense fin de siècle-gespletenheid krijgt gestalte in Schnitzler en zijn literaire werk. Het wijde land, Reigen, Liebelei, Fraülein Else, Der Weg ins Freie en Anatol zijn daarvan de voorbeelden. In Else zit die dubbelheid onvergetelijk verweven. Een jonge vrouw kijkt naar zichzelf in de spiegel, ze is naakt. Maar ze kijkt naar haar onbereikbare spiegelbeeld, haar andere ik, waartegen ze zegt: `Ben ik echt zo mooi als in de spiegel? Ach, komt u toch dichterbij, mooie jongedame. Ik wil uw bloedrode lippen kussen.'

Giuseppe Farese: Arthur Schnitzler. Ein Leben in Wien 1862-1931. Uit het Italiaans vertaald door Karin Krieger.

C.H. Beck, 360 blz. ƒ76,-