Van Doesburg in vrolijk laboratorium

Het affiche toont een levensgroot achterhoofd. Eromheen staat gedrukt Je suis contre tout et tous. Het is misschien het meest sprekende portret van Theo van Doesburg (1883-1931). Tegen alles en iedereen, of zoals hij het elders formuleerde: ,,Ik zelf zoek intuïtief steeds grotere weerstanden te scheppen om ze daarna beeldend te overwinnen.'' Die beeldende overwinning, het kunstwerk, was voor hem niet het einddoel. Het ging hem veel meer om de totstandkoming van het werk, het `proces' zoals we dat tegenwoordig noemen. In zijn eigen woorden: kunst is meer een `worden' dan een `zijn'. Met deze houding was van Doesburg zijn tijd ver vooruit.

Tegen alles en iedereen geen wonder dat het anarchistische karakter van de Dada-beweging hem aansprak. En terwijl hij in Duitsland en Nederland Dada-avonden hield met onder anderen Kurt Schwitters, Tristan Tzara en zijn vrouw Nelly, organiseerde hij tegelijkertijd in Parijs een internationaal congres voor constructivisten, dadaïsten en futuristen, en onderhield hij nauwe banden met het Bauhaus in Weimar. Het communistisch engagement van de Russische kunstenaars was moeilijk verenigbaar met Van Doesburgs behoefte om voortdurend tegen alle dogma's stelling te nemen, reden om voor zijn dadaïstische activiteiten het pseudoniem I.K. Bonset te kiezen. Van Doesburg wilde internationale avant-garde-kunstenaars die streefden naar een totale eenheid van kunst en leven bijeen brengen, ook al behoorden zij tot verschillende bewegingen. Hij droomde van de schepping van een universele beeldtaal en van één groot Gesamtkunstwerk van architectuur en de vrije kunsten, een droom die ten grondslag lag aan het door hem opgerichte tijdschrift De Stijl.

Ons kunstbegrip is in de tweede helft van de vorige eeuw gaandeweg verruimd. Tegenwoordig is stijlvastheid geen criterium meer, en jonge kunstenaars werken grensoverschrijdend in verschillende kunstdisciplines tegelijk. Misschien kunnen we daarom nu van Doesburg eindelijk waarderen voor wie hij was: een gangmaker en inspirator. Van Doesburg heeft wat betreft de receptie van zijn werk zeer geleden onder de onvermijdelijke vergelijking met Mondriaan. Hij schilderde weliswaar, maar een echt schilder was hij niet, zoals nu opnieuw is te zien op de grote overzichttentoonstelling die nu aan hem is gewijd. Van Doesburg zocht naar een nieuwe wereld, niet naar de verfijning van een schilderkunstig idioom. Dynamiek en voortdurende verandering zag hij als wezenlijk voor de moderne kunstenaar. Een Hongaarse constructivist begreep dit al in 1922, toen hij schreef in een brief aan een Nederlandse vriend: ,,Vroeger dacht ik dat van Doesburg de spreekbuis van Mondriaan was, maar nu zie ik dat in hem veel meer levendigheid en hedendaags bewustzijn schuilt dan in Mondriaan.''

Die levendigheid en het engagement van van Doesburg zijn prachtig tot uitdrukking gebracht op de tentoonstellingen in het Centraal Museum in Utrecht en in het Kröller-Müller Museum. Van Doesburg liet een zeer uitgebreid oeuvre na van schilderijen, tekeningen, maquettes, schetsen, essays en literaire uitingen, drukwerk enzovoort. De erven van Nelly van Doesburg schonken de nalatenschap van van Doesburg in de jaren tachtig aan de Nederlandse staat, die het bij musea en archieven in langdurig bruikleen gaf. Binnenkort wordt de oeuvrecatalogus gepubliceerd met daarin opgenomen ruim 2600 werken en geschriften.

Het is een wonder dat de samenstellers van de tentoonstellingen erin geslaagd zijn om het omvangrijke en gevarieerde werk van van Doesburg inzichtelijk te maken. Zij maakten de inrichting samen met de ontwerpers Kossmann en De Jong, die de muren van onder tot boven beplakten met groot opgeblazen zwartwit foto's van de kunstenaar en zijn companen. Hierop worden de kunstwerken geëxposeerd, wat in dit geval heel goed werkt. Het documentatiemateriaal is uitgestald in vitrines die `thematische eilanden' vormen. Dada-achtige klanken van de componist Kees Wieringa begeleiden de bezoeker bij zijn speurtocht door het geheel. Alles bij elkaar is de tenstoonstelling een soort vrolijk laboratorium.

In Utrecht staat het leven en werk van van Doesburg van 1901 tot 1922, toen hij de abstracte kunst ontdekte en De Stijl oprichtte, centraal. Hier is bijvoorbeeld te zien hoe van Doesburg in zijn onderzoek naar de essentie van het schilderen het principe van de `doorbeelding' ontdekte. Hij bracht de herkenbare voorstelling, bijvoorbeeld een stilleven van een ontbijt of een naakte vrouw, in een paar stadia terug tot abstracte lijnen, vlakken en kleuren.

Zo hangt er een half-doorgebeeld portret van `Pétro' (de Dada-naam van Nelly), het hoofd en profil oprijzend uit kubistische vlakken, quasi-gebeeldhouwd als een stenen kapiteel: Nelly als hoeksteen van de samenleving.

In Otterlo gaat het om Van Doesburg als `constructeur van het nieuwe leven'. Van zaal tot zaal ontmoeten we hem als dadaïst, als constructivistisch onderzoeker, als architect enzovoort, tot en met van Doesburg als `Concrete kunstenaar' in de tweede helft van de jaren twintig, toen hij, in reactie op het door hem verfoeide surrealisme, de kunst vooral bezag in het teken van technische en wetenschappelijke vooruitgang en op zoek was naar zuivere wiskundige verhoudingen. Naast zijn eigen werk zijn in Otterlo onder meer prachtige tekeningen van Malevitsj en El Lissitzky te zien en een bijzonder mooie, kleine Dada-Zeichnung van Hans Arp.

Wat de tentoonstellingen vooral tot uitdrukking brengen is de meeslepende vrijheidsdrang van Van Doesburg. Overal proef je het, de drang en de energie om de wereld te veranderen. Van Doesburg, die schaakte met Duchamp, een briefwisseling onderhield met Alexej Tolstoj en een vurig bewonderaar was van Lenin, was een groot revolutionair kunstenaar.

Theo van Doesburg, architect, schilder, dichter. In 2 musea. Centraal Museum, Nicolaaskerkhof 1, Utrecht. Dizo 11-17 uur. En het Kröller-Müller Museum te Otterlo. Di-zo 10-17 uur. Beide tentoonstellingen t/m 18 juni.