`Ter Braak worstelde met antisemitisme'

De schrijver Menno ter Braak was ondanks zijn beroemde polemieken tegen nazisme en rassenwaan een gespleten man die het antisemitisme `in de kern' voor juist hield. Terwijl hij de jodenhaat van de nazi's aan de kaak stelde als irrationele waan, nam hij `het werkelijke rassenvraagstuk' wel serieus.

Die analyse maakt citicus H.A. Gomperts (1915-1998) in zijn postuum uitgegeven boek Een kern van waarheid, dat deze week is verschenen bij uitgeverij Van Oorschot in Amsterdam. De titel van het boek, dat de wortels van het antisemitisme wil onderzoeken maar vooral over Ter Braak gaat, verwijst naar een uitspraak van Ter Braak dat in het antisemitisme `een kern van waarheid' schuilt. Zulke uitspraken van Ter Braak waren bekend, maar volgens Gomperts is er systematisch overheengelezen.

Ter Braak, auteur van onder meer Afscheid van domineesland (1931) en Politicus zonder partij (1934) heeft in de Nederlandse letteren een grote reputatie als hartstochtelijk verdediger van de democratie en onverbloemd polemist tegen nazisme en antisemitisme. Hij pleegde zelfmoord op 14 mei 1940, kort na de Duitse inval in Nederland. Ter Braaks briefwisseling met E. du Perron beïnvloedde een generatie naoorlogse intellectuelen, onder wie W.F. Hermans, J. Oversteegen en J.J. Voskuil, in wiens Bij nader inzien de Forum-voormannen een belangrijk referentiepunt zijn.

De essayist Gomperts, als criticus verbonden aan Het Parool en hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Leiden, was een grootbewonderaar en persoonlijke vriend van Ter Braak en staat in de Forum-traditie die Ter Braak personifieerde.

Gomperts schreef in 1937 in Propria Cures een verdediging van Ter Braak, waarna de twee elkaar ook persoonlijk leerden kennen. Gomperts bewonderde de schrijver wegens diens stellingname tegen het nazisme. In het boek noemt Gomperts zichzelf `een toevallig ontsnapte aan de sjoa'. Het boek, waaraan hij jaren heeft gewerkt, is een uitdrukking van zijn op den duur moeizame en dubbelzinnige houding tegenover Ter Braak.

Boekenpagina 31