Surseance op school

DUIZEND KINDEREN naar huis gestuurd omdat hun onderwijzers uit protest tegen overbelasting en salaris schoolziek zijn. Harde kritiek op de nieuwe algemene beroepsopleiding VMBO, het schooltype waarin LBO en MAVO zijn samengevoegd, maar voor de helft van de leerlingen vermoedelijk te moeilijk zal worden. Scabreus taalgebruik in de Tweede Kamer die met het kabinet debatteert over de regeringsplannen om de achterstand van `zwarte scholen' al experimenterend aan te pakken. En een vernietigend oordeel over het basisonderwijs in het algemeen dat volgens een vereniging van schoolleiders op een financieel en kwalitatief faillissement afstevent.

Ziedaar de oogst van een weekje onderwijspolitiek in Nederland. Het onderwijs is vermoedelijk nog niet bankroet. Maar op grond van zeven dagen herrie is de conclusie wel gerechtvaardigd dat het onderwijs in een staat van surseance verkeert.

Op zichzelf is dat geen nieuws. Het onderwijs zit al decennia in de knel. Ten eerste door de tomeloze vernieuwingsdrift van hogerhand waarmee de lagere en middelbare scholen al meer dan een kwart eeuw worden geconfronteerd. En ten tweede door de groeiende welvaart van het afgelopen decennium dat het oude adagium over `private rijkdom versus publieke armoede' weer heeft geactualiseerd. Terwijl de economische groei onstuitbaar lijkt en de regering meevaller op meevaller incasseert, blijkt dat de opleiding van de volgende generaties in Nederland is verwaarloosd. Nu de `nieuwe economie' oprukt, is dat meer dan ooit bedreigend.

Opeenvolgende kabinetten en Tweede Kamers zijn daarvoor allemaal min of meer verantwoordelijk: de PvdA en het CDA, die het onderwijsbeleid grotendeels hebben gedomineerd, voorop. Toch heeft het geen zin meer schuldigen aan te wijzen. Thans is de vraag aan de orde hoe het tij op de valreep en hopelijk net op tijd kan worden gekeerd.

DE NIEUWE bewindslieden op het ministerie van Onderwijs hebben sinds hun aantreden in 1998 het roer enigszins omgegooid. Geen centraal dirigisme meer maar decentralisering van verantwoordelijkheden, is het parool van minister Hermans (VVD) en staatssecretaris Adelmund (PvdA).

Die houding leek bijna twee jaar geleden adequaat. Het onderwijs snakte naar rust en autonomie. Vooral de invoering van de zogeheten `tweede fase' in het voortgezet onderwijs, waarin hogere normen (geen pretpakketten meer maar profielen) en vergaande zelfwerkzaamheid (studiehuis) hand in hand gingen, noopte daartoe. Maar al na een jaar begonnen de nadelen van die benadering op te spelen: eerst in de tweede fase en daarna in het gehele onderwijs.

Met name staatssecretaris Adelmund weet zich daarmee geen raad en is gaan zwalken. Zij is zo de schietschijf geworden van de Tweede Kamer, die haar verwijt onvoldoende oog te hebben voor de `urgentie' van de problemen in het onderwijs. Als haar politieke dagen al niet geteld zijn, dan is toch zeker haar gezag aangetast.

Minister Hermans op zijn beurt zwijgt vooral. In de ministerraad onderhandelt hij weliswaar over de begroting voor 2001 en elders in de coulissen vraagt hij eveneens om mededogen met zijn getormenteerde staatssecretaris, maar voor het overige wekt hij de indruk dat alles wel loopt.

Oog in oog met de steeds opstandiger onderwijzers en leraren kan Hermans die rol niet langer meer volhouden. Het onderwijs heeft inderdaad zijn bekomst van oekazes uit Zoetermeer, maar vraagt wel om politieke regie. Het wil de minister recht in de ogen zien, niet in zijn rug.

Verbetering van de arbeidsvoorwaarden hoort daarbij. Als de leerkrachten het gevoel blijven houden dat ze de `sukkels' zijn van deze rijke tijden, worden de tekorten voor de klas alleen maar groter en zal het naar huis sturen van kinderen op afzienbare termijn een dagelijkse routine worden.

MAAR HET ONDERWIJS wil ook anderszins weten waaraan het toe is. Hoeveel ruimte hebben de scholen voor zelfstandige beslissingen, aan welke eisen moeten ze voldoen bij hun taalonderwijs, hoe wordt het uiteindelijke curriculum gecontroleerd en welke sancties zijn er bij onverhoopt falen? Dat zijn de vragen waarop ook minister Hermans en zijn staatssecretaris antwoord moeten geven.

Het uitgelezen moment daarvoor dient zich snel aan. Namelijk met de discussie in het kabinet over de Voorjaarsnota. Juist nu alle ministers van de departementen, die het gevoel hebben dat ze slechts `publieke armoede' moeten verdelen (bijvoorbeeld Volksgezondheid), zich rond de trog verzamelen, zou Hermans er goed aan doen de prioriteiten te politiseren. Zo niet dan blijft de trits `onderwijs, zorg en veiligheid' een bezweringsformule en kan extra geld makkelijk verwijnen in de bodemloze put van goede bedoelingen.