Soep van een vingertop

Agressie kan een roman vleugels geven. De uitgeschreeuwde wanhoop van Holden Caulfield in The Catcher in the Rye, de berekenende wraakzucht van Oskärchen met zijn blikken trommel, de woeste scheldpartijen van Céline's alter ego Bardamu – slechts weinig lezers zijn ongevoelig voor de vaart en spanning die wordt opgeroepen door een verteller die een appeltje met de wereld te schillen heeft. De woede hoeft niet eens van de pagina's af te spatten: Frits van Egters mag dan een sympathieke antiheld zijn, hij is een pitbull in het diepst van zijn gedachten.

Ook in De baadster, de tweede roman van Maria Barnas, is de agressie ingehouden, onderhuids. `Ik wantrouw alles wat goed is en vernietig wat me lief is', beseft de ik-figuur wanneer een relatie voor de zoveelste keer op de klippen is gelopen. De lezer heeft daar inmiddels wat staaltjes van gezien. Ergernis beheerst de gedachten van Em, die om `de dingen op een rijtje' te krijgen met haar Oscar naar een Middellandse-Zee-eiland is gegaan. Oscar is ongevoelig, ongeïnteresseerd, grof en stijlloos, en zijn grootstedelijke accent is Em een kwelling. `Ik zou zijn ogen moeten uitlepelen en in mijn hoofd zetten,' mijmert ze. `Of: zijn hoofd opzetten als een nieuwe zonnebril en net zo lang in de zon staren tot ik blind ben.' Eerder heeft ze Oscar zelfs al plaatsvervangend vermoord, door een mug dood te slaan die zich heeft volgezogen met zijn bloed.

Em is geen makkelijk meisje; niet voor haar minnaars (`Mijn tanden zijn van suiker, mijn keel is van caramel, ik ben misselijk van alle harten die ik at'), en ook niet voor zichzelf. Ze is ontevreden over haar lichaam, heeft een eetprobleem, bijt nagels, kan werkelijkheid en fantasie soms niet uit elkaar houden, en blijft tobben. Maar ze kent zichzelf, en dat maakt haar ondanks alles aandoenlijk. Breiend aan een trui voor Oscar, die na dagen van wederzijdse irritatie het hotel is uitgevlucht om niet meer terug te komen, kijkt ze op het zonnige strand terug op haar leven en onderwerpt ze zich aan een zelfanalyse. Ze eist te veel van Oscar (`Ik wil dat hij me begrijpt zonder dat ik de dingen hoef uit te leggen'), en meet hem ironisch genoeg af aan de ten minste zo vage en botte Marnix, die ze in Amsterdam heeft achtergelaten. Als Em een vrouwtjesspin observeert die na een gezamenlijk hapje bromvlieg en een korte paring haar partner doodbijt, weet de lezer wel hoe zij zichzelf ziet.

Eigenlijk heeft Em in haar leven maar één succesvolle relatie gehad: die met haar schoolvriendin Laurie. Maar Laurie is dodelijk ziek en naar Amerika verhuisd, Em verweesd achter latend. `Laurie heeft meer van mij gemaakt dan ik in mijn eentje had kunnen worden,' bedenkt Em. Wie moet haar nu helpen om de grote-mensenwereld naar haar hand te zetten? Wie kan haar nog verzoenen met `het leven dat belooft, verleidt en net zo makkelijk bedriegt'?

Em zou het oudere zusje kunnen zijn van Marike, de hoofdpersoon van Maria Barnas' enthousiast ontvangen debuutroman Engelen van ijs (1997). Net als Marike verkeert ze artistiek en persoonlijk in een crisis en probeert ze greep te krijgen op haar angsten en obsessies door eindeloos te bespiegelen. Geen wonder dat ook in De baadster nauwelijks sprake is van een verhaal, laat staan een plot. Zelfs naar een ontwikkeling blijft het gissen: aan het eind van het boek lijkt Em niet veel verder dan aan het begin. De poëtische slotpassage laat in het midden of ze (zoals Marike in Engelen van ijs) gelouterd uit haar ballingschap terugkomt: `De vrouw vindt het moeilijk te geloven dat ze bestaat. Soms is het koud in het hoofd van de vrouw. Wanneer het ochtend wordt bijvoorbeeld en de lucht tintelt, zich spant, omdat er dingen moeten gebeuren.'

Wat De baadster een geslaagd boek maakt, is de blik die je gegund wordt in de geest van een voor de lezer prettig gestoorde twijfelaar. Ems gestileerde wraakzucht (soep van haar vingertop voor een ontrouwe geliefde!) en haar laconieke beschrijvingen van liefdeloze seks en alledaagse wreedheden maken haar tot een personage dat interessant is zonder haar geloofwaardigheid te verliezen. Nog belangrijker is de stijl waarin haar verhalen vervat zijn. Barnas schrijft korte hoofdstukken, korte alinea's en korte zinnen waarin sfeervolle beelden en elegante formuleringen om voorrrang strijden. Een lege zee waarin Em drijft `is leeg als een koud hoofd waar de herinneringen stuk voor stuk uit werden gepeld.' Als ze terugdenkt aan een zomers feestje, herinnert ze zich hoe weinig ze gemeen had met de gebruinde meisjes bij het zwembad die sierlijk de stukjes citroen in hun cocktails pletten: `Ik was als het citroenschijfje, verpletterd door de meisjes.' En typerend is Ems waarschuwing aan zichzelf: `Water is niet altijd zacht; het is van een afstand hard als stenen. Een mens is als water. Als je de afstand niet goed inschat, breek je je nek.'

Maria Barnas, die net als haar hoofdpersonen is opgeleid als beeldend kunstenaar, schept een wereld van taal en hakt zich een weg langs het ravijn van de mooischrijverij. Uitglijers zijn onvermijdelijk, zoals de paar keer dat Em zich verliest in quasi-diepzinnige kunstfilosofie van het type: `Een mens is geen mens meer maar een element in de ruimte dat de leegte van die ruimte benadrukt.' En ook de verwijzingen naar spinnen en breien als metafoor voor een liefdesrelatie – de vijf delen van het boek heten bijvoorbeeld `Insteken', Omslaan', `Doorhalen', `Af laten glijden' en `Afkanten' – zijn te nadrukkelijk om te werken. Maar meestal is Barnas' beheerste maniërisme functioneel en versterkt het de fragiele indruk die haar hoofdpersoon ondanks alle agressie maakt.

De baadster, dat in de titel verwijst naar Ems ideale staat in het leven (`warm en schoon en dat ik mijn plaats weet'), is een kwetsbare roman die gemakkelijk belachelijk gemaakt kan worden. Maar wie uit Barnas' gebeeldhouwde stijl in 200 bladzijden een personage van vlees en bloed ziet ontstaan, moet op zijn minst bewondering voor de 26-jarige schepster hebben.

Maria Barnas: De baadster.

De Arbeiderspers, 207 blz. ƒ29,90

Nederlandse literatuur