Partij kan niet zonder oudere leden

Politieke partijen moeten voor het partijwerk een beroep doen op een kleine groep onder de leden. En dat zijn dan ook nog vaak mannen van middelbare leeftijd.

Zoek de verschillen tussen de leden van de PvdA, de VVD, het CDA en D66. Ze zijn er nauwelijks. De achterban van de vier grote partijen bestaat overwegend uit goed opgeleide mannen van middelbare leeftijd uit de middenklasse. Alleen bij D66 is de dominantie van mannen afwezig. En het CDA heeft nog een stevige kerkelijke achterban, in tegenstelling tot de drie andere partijen. Maar verder verschillen de leden van deze partijen weinig van elkaar. Het overgrote deel van de partijleden is niet actief, maar wel zeer trots op de eigen partij. De meesten overwegen ook niet hun lidmaatschap op te zeggen. Het partijlidmaatschap is een uiting van loyaliteit: men is lid geworden uit ideële motieven, maar voelt weinig behoefte het gedachtengoed uit te dragen. ,,De meeste partijleden gedragen zich feitelijk als donateur'', zo concludeert de Leidse politicoloog dr. R.A. Koole.

Met zijn collega dr. J.J.M. van Holsteyn heeft Koole een breed onderzoek gedaan naar de achtergrond van partijleden bij PvdA, VVD, CDA en D66. Hun onderzoek maakt deel uit van een internationale studie naar de achterban van partijen. Volgende maand verschijnt een tweede deel: een vergelijking tussen leden en kiezers van partijen. Het project wordt afgerond met een internationale vergelijking van de conditie waarin politieke partijen verkeren.

Steeds minder Nederlanders zijn lid van een partij: op dit moment circa 2,5 procent van de kiezers, tegenover 3,5 procent halverwege de jaren tachtig. Koole: ,,De absolute aantallen beginnen een kritische grens te naderen. Als de daling doorzet, zijn er straks onvoldoende actieve partijleden beschikbaar om alle publieke functies te vervullen.'' Maar overigens doemt uit de achterban van vier grote Nederlandse partijen een beeld op van rust en tevredenheid. Koole: ,,Binnen het kleinere ledenbestand van partijen is de afgelopen decennia betrekkelijk weinig veranderd. Partijleden zijn niet minder actief dan vroeger.''

Wat moeten partijen nu met al die braaf betalende, middelbare mannen die niet of nauwelijks een hand voor de partij willen uitsteken? Koole relativeert dat beeld. Hij wijst op een citaat van de SDAP-bestuurder W.A. Bonger, die al begin jaren dertig van de vorige eeuw schreef: `Een grote partij mag zich gelukkig prijzen wanneer een twintig procent harer leden geregeld aan het partijleven deelneemt.' Ook in de goed georganiseerde ARP klonk in de jaren vijftig de verzuchting dat sommige plaatselijke afdelingen in lethargie waren vervallen. Koole: ,,Dat was in de hoogtijdagen van de verzuiling, toen het maatschappelijke en politieke leven werd gedomineerd door zuilen met zogenaamd krachtige partijen.''

Uit vergelijkingen met eerder onderzoek blijkt dat het percentage actieve leden nauwelijks verandert. Gemiddeld genomen wordt het partijleven steeds gaande gehouden door hooguit 20 procent van de leden.

Koole constateert dat de toestroom van vrouwen tot partijen sinds halverwege de jaren tachtig stagneert, na een duidelijke stijging die omstreeks 1970 was begonnen. Hij stelt ook vast dat partijen weinig aantrekkingskracht hebben op jongeren, hoewel de vergrijzing van het ledenbestand redelijk in de pas loopt met de algemene demografische trend.

Ook deze constateringen mogen volgens Koole niet leiden tot de conclusie dat een gebrek aan vrouwen en jongeren, tegenover een overschot aan middelbare mannen, een bruisend partijleven in de weg staat. ,,Ik ken ook ontzettend veel duffe jongeren'', zegt hij. ,,Een swingende partij lijkt me niet per se gebonden aan sekse en leeftijd.''

Partijen moeten, zo onderstreept hij, met spoed proberen meer leden te werven. ,,Maar wonderen moeten ze daarvan niet verwachten. Een nieuwe partijvoorzitter die denkt dat hij al die nieuwe leden 'ns even flink aan de slag kan zetten, begint aan een missie met ingebouwde frustratie.''

Koole verwijst naar een recent verschenen advertentie van de Partij van de Arbeid, waarin deelnemers voor de zogeheten Kenniscentra werden geworven met de oproep: `Denk mee. Praat mee. Het kost u niets. Behalve tijd.' Koole: ,,Dat was helemaal fout. Het gros van de leden wil absoluut geen tijd vrijmaken voor de partij. Men heeft ideële motieven om lid te zijn. Dat is ook de golflengte waarop potentiële nieuwe leden moeten worden aangesproken: `Wordt lid, kom op voor een rechtvaardige samenleving!' En als je de leden eenmaal hebt binnengehaald, moet je ze vooral voorzichtig proberen te betrekken bij het partijleven. Een partijbestuur moet vooral heel veel verschillende, kleine dingetjes organiseren om een partij in beweging te houden. Het moet vooral niet hoog van de toren blazen met tijdrovende activiteiten. Dat schrikt eerder af dan dat het aantrekt.''

Koole pleit voor een revitalisering van de partij als `leerschool' voor het openbaar bestuur. Actieve leden zouden volgens hem veel vaker moeten worden `getest' in werkgroepjes en commissies op alle niveaus in de partij. ,,Samenwerken in een politiek verband is heel wat ingewikkelder dan samenwerken in een single issue-beweging'', stelt Koole. ,,In een milieuorganisatie staan alle neuzen wel zo'n beetje dezelfde kant op. In een partij ben je voortdurend met elkaar in debat over keuzes en afwegingen van verschillende belangen. In partijcommissies kun je heel goed bekijken of mensen geschikt zijn voor publieke functies: of ze het inhoudelijk aankunnen, of ze geen ruzie krijgen als ze in een groep moeten samenwerken. Nu beginnen partijen vaak een jaar voor de verkiezingen pas op zoek te gaan naar nieuwe kandidaten voor de kieslijsten. Een partij zou permanent op zoek moeten zijn naar nieuw talent.''