Omgebouwde ergernissen

Genieten van koud, winderig weer en druilregen. Zich verbazen over het feit dat het ontbijt in een hotel in Leipzig pas om half zeven wordt geserveerd en dat er `ondanks dat late tijdstip' nog niemand in de eetzaal aanwezig is. Du Perron en Ter Braak zonder verdere uitleg uitmaken voor `ras-sukkels'. Het zijn enkele staaltjes van de weerbarstige levenshouding van Maarten `t Hart. Dat hij niet is zoals iedereen, wordt weer eens krachtig duidelijk gemaakt in het dagboek dat hij in 1999 bijhield. Een deerne in lokkend postuur is het derde deel van een kleine serie waarin het oude millennium werd uitgeluid. Eerder lieten Rogi Wieg en Boudewijn Büch hun licht schijnen over de jaren 1997 en 1998.

Met grote stelligheid verkondigt `t Hart zijn meningen. Dat hij graag vroeg opstaat, wel van regen houdt, maar niet van Du Perron en Ter Braak, is op zichzelf natuurlijk niet wereldschokkend. Het is meer de manier waarop, die aandacht trekt. Of hem die toon aangeboren is, of dat hij hem bewust aanslaat om zijn lezers te prikkelen tot instemming of verzet, zou ik niet durven zeggen. Wel lijkt mij deze tamelijk hoge toon, nu eens neigend naar gelijkhebberigheid of verongelijktheid, dan weer naar euforie of triomf, kenmerkend voor zijn werkwijze in het algemeen, die eerder impulsief aandoet dan weloverwogen.

Veel harmonie en maatgevoel valt er ook in Een deerne in lokkend postuur niet te ontdekken, al zijn muzikaliteit en liefde voor Bach ten spijt. Dat zie je vooral aan de stijl, die zwalkt tussen ouderwets-plechtstatig (`het meisje schonk mij haar glimlach'), net iets te zwaar aangezet (`totaal niets, maar dan ook echt helemaal niets') en gewone mensentaal (`zet mij voor een zaal vol mensen en ik ben op mijn best'). Hij lijkt zelf het verschil niet te zien tussen een zeurderige passage over de kunst van het fluiten, volgens `t Hart `van alle menselijke bezigheden – de meest geheimzinnige', zonder dat ook maar enigszins duidelijk wil worden waarom, en een bijzonder komisch verslag van de vele verzoeken om kopij die hem soms op één dag bereiken. Als hem bijvoorbeeld wordt gevraagd binnen een maand een bijdrage van twintig bladzijden te leveren aan een tentoonstellingscatalogus over maskerades, waarvoor wegens geldgebrek (`zoals u zult begrijpen') maar een bescheiden honorarium kan worden geboden, dan schrijft `t Hart droogjes: `Wie ben ik om voor zo'n futiele bijdrage enig geld te verwachten. Twintig pagina's, dat schud ik toch zo uit mijn mouw.'

Het is vreemd dat iemand die zo hilarisch kan schrijven over zijn rijlessen en mislukte rijexamens, zo onderhoudend over de polder waarin hij woont, zo ontwapenend over zijn hartkwaal en die ons en passant ook nog even de stuipen op het lijf weet te jagen met zijn onheilspellende berichten over de pil en de steenpuist, zich ook zo buitenproportioneel boos kan maken over van alles en nog wat. Kafka, Gabriel García Márquez, Carel Peeters, Hugo (`jatmoos') Claus, een menigte aan filosofen en Sinterklaas (`die gemijterde ellendeling') lijken hem wel persoonlijk iets te hebben aangedaan, zo groot is zijn afkeer – al blijft duister wat ze dan hebben uitgespookt. Ook de glazenwassers die elke maand voor 55 gulden zijn ramen komen lappen, hoewel ze in zijn ogen altijd brandschoon zijn, maken hem `uitzinnig van woede'. Aan die woede moet wel een onbenoemd gebleven echtelijk meningsverschil ten grondslag liggen, want `die snertkerels' komen natuurlijk niet op eigen inititatief maandelijks zijn erf `opstormen'.

Een andere bron van ergernis is het `behaagzieke sierproza' dat tegenwoordig zo gangbaar zou zijn, al werd het ooit al eens door Multatuli vergeleken met `een deerne die zich voor veel geld in lokkend postuur stelt'. Vroeger waren er dus ook al schrijvers die dachten dat het volstond om mooie zinnen achter elkaar te zetten en met die aantrekkelijke leegte de lezers te verleiden. Hoewel `t Hart zelf niet van het schrijven van sierproza beticht kan worden, werd het citaat van Multatuli, ietwat eigenaardig, wel uitverkoren tot titel van zijn dagboek. Er zit natuurlijk iets dubbelzinnigs in die titel. `t Harts neiging tot travestie (`de grote gekte', zoals hij die neiging zelf noemt) kan men er ook in teruglezen, al lijkt het `lokkend postuur' dan weer minder op zijn plaats. Uit zijn dagboekaantekeningen valt immers op te maken dat hij er niet op uit is om als `deerne' de mannenharten op hol te jagen, maar om de wereld even naar zijn eigen hand te kunnen zetten. Zijn grootste triomf bestaat erin om als een echte `mevrouw' te worden aangesproken op straat en in de winkels, of om door buurman Bertus voor zijn eigen schoonzus te worden aangezien, en niet speciaal om te worden begluurd als een meisje van lichte zeden in lokkend postuur. Als er al gelokt moet worden, dan zou hij het liefst zelf, als man, door zo'n deerne als bedoeld in de titel, gelokt en vervolgens de bosjes ingesleurd worden – op voorwaarde althans dat zij de klus voor `een paar grijpstuivers' zou willen klaren.

Vreemd, eigenaardig, dat zijn de woorden die geregeld opkomen bij het lezen van Een deerne in lokkend postuur en het is precies die vreemdheid die er ook de weerbarstige charme van uitmaakt. Hier is iemand aan het woord die er niet bij wil horen, bij de wereld van het sierproza, van de normaal geachte heterocultuur, van de uitslapers, de popmuziekliefhebbers, de zonaanbidders, de sporters en de filerijders. Als hij mag kiezen, dan bevindt hij zich liever tussen de koeien in de stal van buurman Bertus dan met een glas wijn in de hand op een gezellige borrel, waar men geacht wordt geanimeerd te converseren met andere gasten die om onduidelijke redenen ook van de partij zijn. `Maar ach', noteert `t Hart op 6 juni 1999 in zijn dagboek, met een mooi, ontluisterend beeld, `het hele leven is een borrel waarvan je niet weet waarom hij gehouden wordt en waarom je ervoor bent uitgenodigd.'

Maarten `t Hart: Een deerne in lokkend postuur.

Persoonlijke kroniek 1999.

De Arbeiderspers, 262 blz. ƒ34,95

Nederlandse literatuur