Kinderen met een verkleedkist

Alle films van het legendarische acteurscollectief Het Werkteater zijn opnieuw te zien. Terug naar de hoogtijdagen van improvisatie en anti-psychiatrie.

Patiënt Joop speelt een broodje dat dreigt te verbranden in de oven. Patiënt Cas wil wel helpen, maar vindt dat het broodje zelfredzaam moet zijn. ,,Als je maar wil! Dat is het verschil!'' zegt hij met een geknepen stemmetje. We bevinden ons in het hart van de jaren zeventig, in de film Toestanden van Het Werkteater, een reeks even leerzame als vermakelijke sketches over democratisering in de psychiatrie.

Omdat ik in de jaren zeventig nog met Playmobil en hamsters speelde, heb ik nooit een toneelstuk van Het Werkteater gezien. Lange tijd rekende ik de toneelgroep tot de excessen van de jaren zeventig. In een tijdvak dat werd gekenmerkt door een onverdraagzame linkse ideologie en een ongekende lelijkheid in kleding, haardracht en wooninrichting, zal het experimentele theater ook wel slecht zijn geweest, zo redeneerde ik. Vanaf morgen zendt de VPRO in `Weerzien op 3' iedere zaterdag een film van Het Werkteater uit. Voor mij een kans om eens te zien wat er nu zo geweldig was aan het legendarische acteurscollectief, dat wat losse werkwijze en egalitaire organisatiestructuur betreft nog altijd grote invloed heeft op jonge theatermakers.

Koöperatieve Vereniging Het Werkteater, opgericht in 1970 als kind van de theaterrevolutie na `Aktie Tomaat', wilde aanvankelijk in de luwte een onderzoek verrichten naar hoe het nieuwe theater eruit moest zien. Toen de hechte acteursgroep na een jaar naar buiten kwamen met voorstellingen was de belangstelling zo groot, dat de groep nauwelijks aan de vraag kon voldoen. Verschillende van hun populaire toneelstukken werden daarom bewerkt voor film.

Bij een experimentele toneelgroep zou je een klein, select publiek verwachten, maar bij Het Werkteater waren de stoelen niet aan te slepen. De groep wilde 'gewone' mensen trekken en maakte daarom publieksvriendelijke voorstellingen. Ook de films zijn eenvoudige, herkenbare verhaaltjes in gewone mensentaal, die worden opgesierd met veel heftige emoties, humor, slapstick, muziek en acrobatiek. Volgens acteur Peter Faber moest het 'raar en kinderachtig' zijn. Daarmee bedoelde hij dat het werk de vrolijke sfeer moest hebben van een stel kinderen die met de verkleedkist spelen.

Het Werkteater speelde veel besloten voorstellingen, in ziekenhuizen, bejaardenhuizen, inrichtingen en scholen. Het eerste grote succes, Toestanden, verfilmd in 1976, speelde de groep in psychiatrische klinieken. Naar aanleiding van het bekende boek Wie is van hout van psychiater Jan Foudraine maakte het collectief een voorstelling over de hervormingen in psychiatrische inrichtingen.

Anders dan ik verwachtte is de film geen aanklacht tegen de wantoestanden in gekkenhuizen. In de film is de democratisering reeds losgebarsten. Toestanden laat op genuanceerde wijze zien dat dit geen onverdeeld positieve ervaring is. In bovengenoemde sketch met Joop Admiraal als het aangebrande broodje, bespotten de acteurs subtiel het vormingstoneel, een vorm van theater die ze in feite zelf ook maakten. De beste scène is die waarin Peter Faber de patiënten mee naar buiten mag nemen om te barbecuen. Blijkbaar was dit ongebruikelijk in inrichtingen, want de patiënten schuiven als bange muisjes door de voordeur, extra opgefokt omdat ze geen medicijnen hebben gekregen. Uiteraard loopt het uitje uit de hand.

Smartlap

Na Toestanden volgde de in Duitsland gemaakte tv-film Avondrood, ongeveer volgens hetzelfde recept als Toestanden gemaakt, maar dan over bejaarden. Op een bonte avond laat Cas Enklaar zijn pillencollectie zien, Helmert Woudenberg zingt een smartlap over een overreden kindje, maar verder is Avondrood zwaar en langdradig. De cameravoering is wel van een grote schoonheid: de ruim een uur durende film bestaat uit één ongemonteerd shot.De camera beweegt door de witte, lege ruimte als een toeschouwer die het toneel op is gestapt. Als een dialoog is afgelopen, glijdt de camera naar een volgend groepje mensen. Het mooiste is als de camera met een speler meeloopt die op de achtergrond langs schuift, op weg naar een nieuwe scène.

De derde film, Camping (1978), is de enige film die niet is gebaseerd op een toneelstuk. De spelers stonden een zomer lang met hun gezinnen op een armoedige camping. De film trok veel bezoekers, maar valt nu erg tegen. De intriges zijn veel te mager, de personages zijn teveel typetjes, de grappen zijn flauw. Van alle Werkteaterfilms lijkt Camping het meest op de doorsnee Nederlandse publieksfilm: plat en goedkoop. Het is deenige Werkteaterfilm waar naakt in voorkomt. Verder onderscheidt het collectief zich juist gunstig van andere Nederlandse filmmakers uit die tijd door nooit terug te vallen op bleke borsten en bollensorteermachineseks.

De meeste films zijn samenraapsels van losse scènes rond een algemeen thema. Het collectief hield niet van hecht gecomponeerde toneelteksten, maar liet uit improvisaties kleine toneelstukjes ontstaan. Tijdens het spelen boden de scènes weer ruimte voor nieuwe improvisaties. Zo bleef het levendig voor spelers en publiek. Zoiets op film vastleggen is onmogelijk. Filmregisseurs werden dan ook tot wanhoop gedreven door de steeds veranderende plannen. Volgens het overzichtswerk Hollands Hollywood van Henk van Gelder, werd het script van Camping op de vooravond van de eerste draaidag op democratische wijze weggestemd door de spelers, zodat de regisseur de volgende dag zonder script, en met gillende zenuwen naar de filmlocatie reed. Op de camping registreerde Chanowski improvisaties, die hij na lang monteren tot een min of meer coherente bioscoopfilm wist te smeden. De losse scènes werken op het toneel misschien goed, maar een film behoeft meer samenhang, op zijn minst een rode draad die de spanning erin houdt. Slechte en te lange scènes gaan in een los verband extra irriteren.

Volgens de egalitaire ideologie van Het Werkteater mocht niemand de hoofdrol hebben. Gevolg is dat er weinig ruimte is om een personage uit te diepen. Wat daarbij ook niet helpt is dat de acteurs steeds van rol wisselen. De acteurs waren bedreven in het snel en raak neerzetten van een type, maar daarna bleven die types wel oppervlakkig. Camping begint bijvoorbeeld vermakelijk, met een zeer herkenbare echtpaar, gespeeld door Peter Faber en Olga Zuiderhoek, dat een veel te grote caravan op een klein veldje moet parkeren. De man is te overspannen om van de eerste vakantiedag te genieten. Hij bekt zijn onverstoorbaar goedmoedige vrouw af en schreeuwt zijn frustraties eruit: ,,Vakantie! Vakantie! Vakantiiiiiiiiiiee!'' Na dit eerste lachsucces blijft Faber echter in zijn rol hangen, zodat ik na een half uur schoon genoeg van hem had.

Kweekvijver

Het Werkteater bleek een kweekvijver voor talent. Peter Faber, Gerard Thoolen, Olga Zuiderhoek en Helmert Woudenberg speelden in vele Nederlandse speelfilms. Thoolen, overleden in 1996, stond naast Marlon Brando en Donald Sutherland in A Dry White Season. Kinderheld Frank Groothof speelt al jaren voor volle zalen met zijn kinderopera's. Joop Admiraal en Cas Enklaar, die toen nog Enkelaar heette, behoren tot de topacteurs van het Nederlandse toneel. In de laatste Werkteaterfilms lopen twee jongens rond die in de jaren negentig beroemde tv-komieken werden: Kees Prins en Arjen Ederveen.

De acteurs van het Werkteater waren zo aantrekkelijk voor andere filmmakers omdat ze gewend waren 'naturel' te spelen. Ze hadden geen toneelmaniertjes, en niet het toen nog gebruikelijke licht bekakte, nadrukkelijk gearticuleerde toneeltoontje. Dat sommige leden van het collectief, zoals Peter Faber, filmsterren werden, betekende het begin van het einde voor de groep. De collectieve gedachte werd ondermijnd door individuele ambities. De grootste talenten begonnen de groep te verlaten.

De vierde film, Opname (1979), in de regie van Erik van Zuylen, gaat niet mank aan de gebreken die de andere Werkteaterfilms wel hebben. Dit keer geen losse stukjes met teveel personages, maar een strakke verhaallijn over twee personages: een gevoelige puber en een stevige tuinder die samen op een ziekenhuiskamer dood liggen te gaan aan kanker.

De ondergang van tuinder meneer de Waal, schitterend gespeeld door Helmert Woudenberg, is aangrijpend. Hij komt even in het ziekenhuis voor een onderzoekje en moet wekenlang blijven. In korte tijd wordt hem al zijn waardigheid ontnomen. Zijn woede, zijn wanhoop, zijn isolatie, het langzaam doordringende besef van zijn sterven; alles wordt snel en raak neergezet. Zijn paniek ligt in een steeds herhaalde zin: ,,Ze gaan een foto maken van mijn hoofd.'' Meneer de Waal vindt een vriend in de jongen die naast hem ligt, gespeeld door Frank Groothof. Als ze allebei beseffen dat ze dood gaan, zegt De Waal: ,,We schelen dertig jaar, maar we zijn even oud.''

Conform de tijdgeest, komt het ziekenhuis, 'het systeem', er nogal slecht en clichématig vanaf. De opgeruimde verpleegsters behandelen de patiënten als kleine kinderen, de artsen noemen De Waal onverschillig bij de verkeerde naam, en geven nooit antwoord op zijn vragen. Grootste schurk is de internist, gespeeld door Hans Man in 't Veld, die De Waal weigert te vertellen wat hem mankeert. Zijn plotse bekering op het eind komt wat ongeloofwaardig en te dik aangezet over. Opeens is hij een aardige man met een voornaam en zonder doktersjas.

Bij de internationale lancering van Opname was Het Werkteater op zijn hoogtepunt. De grootste roem volgde hierna, maar toen was de groep al langzaam uit elkaar aan het vallen. Er volgden in de jaren tachtig nog drie films, gebaseerd op de variété-achtige voorstellingen die Het Werkteater zomers in een circustent speelde: de uit de hand lopende tv-show Hallo medemens; de Duitse toneelregistratie Waldeslust (Bosch en Lucht); en de speelfilm Een zwoele zomeravond, geregisseerd door Frans Weisz, over een in het honderd lopende show van artistenduo De Nellico's. Deze drie films zijn gedateerd en te plat. Een zwoele zomeravond is alleen leuk omdat Thoolen op onvergetelijke wijze een dikke Surinaamse vrouw speelt.

Voor de groep in 1987 stopte, bracht het Werkteater nog twee films uit van individuele leden: U bent mijn moeder en de ontroerende toneelregistratie Gebroed van Frank en René Groothof, over twee broertjes die samen op hun jongenskamer spelen. De tijdgeest was inmiddels veranderd en Het Werkteater veranderde mee; geen groepswerk met maatschappelijke thema's meer, maar individuele projecten met autobiografische verhalen.

In U bent mijn moeder speelt Joop Admiraal afwisselend zichzelf en zijn demente moeder. Admiraal voert een dialoog met zichzelf, moeiteloos schakelend van zoon naar moeder door zijn stem iets te verhogen, zijn gezicht een iets andere uitdrukking te geven, en zijn handen licht te laten trillen. In de eerdere films speelt Admiraal al vaak uitstekende vrouwenrollen die het goedkope travestienummer ver overstijgen, maar in U bent mijn moeder speelt hij de rol van zijn leven. Ontroerend, aangrijpend, maar ook gruwelijk: ,,Ik ben niet goed voor vader geweest. Je vader was zo'n felle man. Die wou altijd. Maar ik kon het niet. Ik kon het niet. Ik kon het niet. Ik was helemaal rauw.''

U bent mijn moeder; als ik de titel lees, moet ik al huilen. Samen met Opname vormt de solo van Admiraal het hoogtepunt in het filmoeuvre van Het Werkteater. Als ik daar Gebroed en een deel van Toestanden bij optel, kom ik op drieëneenhalve goede films in acht jaar tijd. Dat is een score waar veel beroemde regisseurs jaloers op kunnen zijn.

`Weerzien op 3: De Werkteatercyclus'. Tien films, t/m 3 juni op iedere zaterdag op Nederland 3.

Internet: www.werkteater.nl

De regisseur reed

met gillende zenuwen

naar de filmlocatie

Bij het Werkteater mocht niemand

de hoofdrol hebben