Kaatje wilde lijden voor Onze Lieven Heer

In het centrum van Ossendrecht staat het Adolphine-kapelletje op de plaats waar vroeger bakkerij/herberg De Gouden Leeuw was gevestigd.

De uitspanning, in 1964 tot groot verdriet van veel Ossendrechters gesloopt, is het geboortehuis van zuster Maria-Adolphine ofwel Kaatje Dierkx. Het Vaticaan meldde afgelopen weekeinde dat de Brabantse non, die in 1900 in China werd vermoord, op 1 oktober heilig zal worden verklaard. Ze is de derde vrouwelijke Nederlandse heilige en komt na Lidwina van Schiedam (gestorven in 1433, heilig verklaard in 1890) en Edith Stein (1943, 1998).

,,Het mooie bericht kwam voor mij onverwachts'', zegt pastor A.van Balveren van de plaatselijke Sint Gertrudisparochie. ,,Natuurlijk is het dorp bijzonder trots op haar.'' In zijn kerk is het portret van Maria-Adolphine versierd, de vlag ging zondag meteen uit en de jaarlijkse bedetocht in juli belooft extra feestelijk te worden.

In 1946 werd Kaatje Dierkx (1866) zalig verklaard. Zalig is het opstapje voor heilig. Er zijn in Nederland enige tientallen heiligen, die bijna altijd betrokken zijn geweest bij een wonder.

Ad van Veldhoven schreef in 1996 het boekje Voor allemaal een stukske over het bewogen leven van Kaatje Dierkx. Daarin staat dat ze de dochter was van Petrus Dierkx, alias Wannes van Fikke, en Klien Withaags. Bij de trouwerij eind 1865 – een `moetje', Ossendrecht sprak er schande van – was moeder Withaags 31 jaar en had toen al zeven kinderen. Drie daarvan had haar eerste echtgenoot, Naard de Vos, die in 1864 met zijn paard en wagen verongelukte na de kermis in Zandvliet, meegebracht uit zijn eerste huwelijk.

Petrus Dierkx en zijn Klien baatten De Gouden Leeuw uit, maar hun geluk was van korte duur, zo meldt Voor allemaal een stukske. Klien stierf in 1871, vermoedelijk aan de pokken, en een jaar later vertrok de jonge weduwnaar Dierkx (toen pas 31) met stille trom naar Brussel, een rij kinderen achterlatend van wie Kaatje de op een na jongste was. Ze werd ondergebracht bij een stiefmoeder en groeide op als een vrolijk, gevoelig meisje dat de zondagschool bezocht bij de nonnen en ook op andere dagen weleens het klooster binnenging.

Op haar zestiende werd Kaatje Dierkx inpakster bij een surrogaatkoffiefabriek. Daar liet ze collega's blijken dat ze niet aan verkering dacht. ,,Op mijn hemd komt geen vent te liggen'', riep ze, terwijl ze volgens het boek van Van Veldhoven ,,op de kermis aan iedere vinger tien mannen kon krijgen''. Ze werd kindermeisje in Antwerpen en trad aldaar op haar zesentwintigste in bij de Franciscanessen Missionarissen van Maria. Op de vraag waarom ze het klooster in wilde, antwoordde ze: ,,Het verlangen om voor Onze Lieven Heer te mogen lijden.''

Kaatje Dierkx kreeg in het klooster de leiding van de wasserij en stond in de keuken, ook omdat ze uitstekend brood kon bakken. Door die specialiteit trok ze in 1899 de aandacht van de Italiaanse bisschop Fogolla, die de Franciscanessen bezocht om zusters te werven voor zijn weeshuis in Toi-yuan-foe, in Noord-China. Dierkx was een van de acht nonnen die werden uitverkoren voor het werk in het Verre Oosten. Het deed haar bijzonder veel pijn dat haar familie, op wie ze dol was, geen afscheid kwam nemen in Antwerpen – ze ging immers voor het leven! Bang was ze niet, hoewel het verhaal bekend was dat missiepater Victorinus in China door ,,de heidenen'' op beestachtige wijze was omgebracht.

Via Marseille, het Suezkanaal en Ceylon bereikten de acht nonnen na ruim vier weken per boot Sjanghai. Eén bleef ziek achter, de overigen kwamen met paard en kar of te voet uitgeput in Toi-yuan-foe aan. 's Zomers was het er heet, 's winters vroor het soms dertig graden. De zusters schrokken van het smerige weeshuis, van de verwaarloosde kinderen, van de luiheid van de daar werkende Chinese maagden en van hun alternatieve geneeskunst. Ze sloegen zich er doorheen en schreven naar huis dat ze ondanks alles gelukkig waren.

Een jaar later heerste er hongersnood in Toi-yuan-foe en de provincie Chansi. De boeren, opgehitst door de opstandige Sekte van de Boksers, gaven de christenen de schuld. Het Westen riep de Chinese overheid tevergeefs op de missieposten te bewaken. Onder leiding van de Tataar Yuhsien vermoordden de Boksers 2.418 christenen.

De mannelijke leden van de missie waren het eerst aan de beurt. Kaatje Dierkx en de andere Franciscanessen moesten geknield toekijken, waarna ze zelf werden onthoofd. Hun hoofden werden op de stadspoorten tentoongesteld, hun lichamen voor de honden geworpen.