Ja, ik maak me altijd zorgen

Met zijn derde roman `Publieke werken' maakt Thomas Rosenboom kans op de Libris Literatuurprijs. ,,Meestal krijg je de handen op elkaar als je er nog een schepje bovenop doet.'

Nee, zegt hij resoluut, van abstracte kunst houdt hij niet. ,,Je moet een estheticus zijn om alleen van verhoudingen en kleuren te kunnen genieten, en dat ben ik niet. Ik ben meer geïnteresseerd in het leven, de mens. Als bij muziek de melodie wegvalt, zegt het me ook niet veel meer.' We kijken naar een klein schilderij aan de muur van zijn woonkamer. Het is gemaakt door Helma Pantus en het toont een naakte vrouw tussen kale, bruine boomstammen tegen een helderblauwe achtergrond. De vrouw staat oog in oog met een haas die ze met haar rechterhand bij zijn oren omhooghoudt.

Thomas Rosenboom (44): ,,Ik vind het wel mooi wanneer een figuratieve voorstelling naar het abstracte neigt, zoals het streepeffect van die kale stammen tegen het blauw. Wat ik nodig heb bij beeldende kunst, is een herinnering aan de werkelijkheid, hoe summier ook. Dat je er iets in kunt zien, dat je denkt: het is eigenlijk een hoop stenen, of een fabriek. Een vriend van mij schildert geheel abstract. Als ik zeg `Het zijn net steigers', roept hij `Nee, nee, dat is de bedoeling niet, het verwijst nergens naar, het is autonoom.' Dan houdt het voor mij op. Een schilderij dat verder geen betekenis heeft – nou nee, dat is niet voor mij. In mijn romans ga ik ook altijd uit van de werkelijkheid om vervolgens iets kunstmatigs te bereiken.'

In november verscheen Publieke werken, de derde roman van Thomas Rosenboom. Het boek staat inmiddels op de `longlist' voor de Libris Literatuurprijs van honderdduizend gulden die op 17 mei wordt uitgereikt. De vijf nominaties voor de Librisprijs worden volgende week dinsdag bekendgemaakt. Rosenboom won in 1995 de Librisprijs voor zijn vorige roman, Gewassen vlees. En als ik hem wijs op de mogelijkheid dat dat nu weer zou kunnen gebeuren, zegt dat hij `het niet echt erg zou vinden'.

Hij is nog steeds `diep voldaan' over Publieke werken en hij voelt dan ook geen aandrang om al aan een nieuw boek te beginnen. ,,Pas als je de beperkingen gaat inzien van het laatste werk, of als je het begint te vergeten, valt er weer wat te doen. Zolang ik met het tevreden gevoel rondloop dat ik een geslaagd boek heb geschreven, begin ik niet aan iets anders. Zo'n boek moet eerst uit de publiciteit zijn verdwenen, het moet voorbij zijn, afsterven.'

De positieve en vaak zelfs juichende recensies op Publieke werken waren niet de voornaamste oorzaak van zijn tevredenheid: ,,Ik heb de recensies gelezen en ik was er ook blij mee. Als je een nieuwe bril hebt gekocht, wil je van anderen horen hoe goed die je staat. Je raakt aan het twijfelen als die bevestiging uitblijft. Maar eigenlijk hoef je maar van één iemand te horen dat die bril goed staat. Mijn uitgever, Ary Langbroek, was de eerste die het boek las. Toen hij het uit had en vertelde wat voor omslag hij voor zich zag, wist ik dat het in orde was, dat hij het wilde publiceren.' Na mijn opmerking dat hij toch niet anders had verwacht: ,,Ik heb een hoge notie van literatuur. Als je een boek inlevert, denk je: Is dit het wel? Je houdt er rekening mee dat het niet zal worden uitgegeven.'

Rooms-katholiek

Thomas Rosenboom groeide op in een rooms-katholiek gezin in Arnhem, waar zijn vader een garagebedrijf had. Katholiek is hij nu alleen nog `qua mentaliteit': ,,Daarmee bedoel ik dat je de wet meer naar de geest dan naar de letter opvat. Dat je elkaars gevoel ontziet. Als een katholiek zich in een winkel een trui laat voorhouden en die bevalt hem niet, zal hij zeggen: `Ik moet er even over nadenken, ik kom morgen terug'. De goede verstaander – een andere katholiek – begrijpt die ontsnappingsformule en weet dat de klant die trui niet wil hebben. Maar de protestantse verkoper neemt het letterlijk, het gaat hem om de waarheid en hij denkt: `Die man komt terug'. Als dat dan niet gebeurt zal hij zich verbazen over de onbetrouwbaarheid van de klant.

,,Ik werd eens in België voor een zaal met publiek geïnterviewd. Ik beweerde iets waar de ondervrager het niet mee eens was. Hij liet dat merken door te zeggen: `Ja ja, maar daar mag je toch aan toevoegen dat...'. Later in Nederland zat ik weer in een vraaggesprek voor een publiek en opnieuw was de interviewer het niet met me eens. Hij ging pontificaal tegen me in: `Dat vind ik helemaal niet, daar- en daarom.' Zo'n interviewer loopt het gevaar dat zijn gesprekspartner afgaat. In België zal het je nooit overkomen dat je ten overstaan van een publiek je gezicht verliest. Katholieken kennen nog hoffelijkheid.'

Maar protestanten zien dat als gegluip en gesjoemel.

,,Ja, omdat ze het niet begrijpen. Het bevestigt mijn idee over de protestantse mentaliteit. Het is opvallend dat mijn vriendenkring volledig uit katholieken bestaat, hoewel ik het er niet om doe. En de aardigste collega's, zoals Adri van der Heijden en Renate Dorrestein – allemaal katholiek.'

Nadat hij in Nijmegen zijn kandidaats psychologie had gehaald ging Rosenboom in Amsterdam Nederlands studeren. ,,Ik wilde weg uit Nijmegen, een nieuwe draai aan mijn leven geven. Ik koos voor Nederlands omdat ik geïntrigeerd was door literatuur en een intense bewondering had voor mensen die boeken konden schrijven. Nee, ik zag mezelf niet als schrijver, schrijven leek me iets dat voor andere mensen was weggelegd. Maar een vriend van mij, die wel een sterke schrijfaandrang had, richtte een literair blaadje op dat we in eigen beheer uitgaven. Het tijdschriftje heette Mooi weer, het heeft maar kort bestaan. Daar heb ik toen een verhaal voor geschreven. De titel ben ik vergeten. Maar daarna schreef ik nog een verhaal, waarvan ik aanvoelde dat het een stuk beter was dan het andere. Dat was het verhaal Bedenkingen.'

Bedenkingen werd in 1983 opgenomen in Rosenbooms debuut, de verhalenbundel De mensen thuis. In Bedenkingen laat Rosenboom een twaalfjarig, vroegwijs ventje filosoferen over het begrip `plezier': hij bedenkt dat wat de een plezierig vindt, voor de ander juist onplezierig is en concludeert: `De zorgelijke natuur maakt misschien wel nooit eens iets aardigs mee, maar toch leeft hij zo plezierig mogelijk: hij bespaart zich meer dan hij zich ontzegt.'

Rosenboom beaamt dat alleen een heel zorgelijke natuur dit kan verzinnen. ,,Hij ontzegt zich een vakantie, maar door niet op vakantie te gaan bespaart hij zich meer aan moeilijkheden dan hij zich aan plezier ontzegt. Ja, ik ben wel iemand die zich altijd grote zorgen maakt.'

Verbruien

De hoofdpersoon van de verhalen uit De mensen thuis, het jongetje Timon, heeft enkele opvallende trekjes gemeen met de hoofdpersonen uit de drie romans die op de verhalenbundel volgden, Vriend van verdienste (1983), Gewassen vlees (1994) en Publieke werken. Met hun eenzelvige redeneringen bereiken ze het omgekeerde van wat ze beogen. Ze willen bij anderen in de smaak vallen, maar weten alles steeds weer te verbruien. Ze proberen de gebeurtenissen in de hand te houden, maar zien altijd iets over het hoofd en graven uiteindelijk allemaal hun eigen graf.

Rosenboom: ,,Het zijn totalitaire karakters, absolutistische figuren. Afgezien van Timon, die nog een kind is, zijn het mannen zonder vrouw, zonder kinderen, zonder vrienden. Uit die leegte komt hun fanatisme voort. Ik houd niet van al te extreme hoofdpersonen – een boek over een seriemoordenaar of een necrofiel, daar word ik warm noch koud van. Het moet gaan over mensen zoals jij of ik, die langzaam afglijden, dan wordt het angstwekkend. Ik kies vaak personages die uit goede bedoelingen boven zichzelf willen uitstijgen en dan het slachtoffer worden van de misverstanden die ze hebben veroorzaakt. In hun ijver om alles te beheersen doen mijn helden altijd te veel. Je zult nooit van hen zeggen: `Pas op, doe dit nu eens wel', maar juist: `Pas op, doe dit nu eens niet'.

,,Dat te veel doen en daarmee een averechts effect behalen, is wel iets dat ik tot mezelf kan herleiden. De behoefte controle te hebben, alles te beheersen. Misschien heeft het wel iets dwangmatigs. Ik loop elke dag hetzelfde rondje, draag altijd dezelfde kleren, eet elke dag hetzelfde en doe dus ook steeds dezelfde boodschappen. Gisteren zou mijn vriendin hier eten en de boodschappen doen. Ze kwam met allerlei heerlijke dingen thuis die ik nooit zie liggen in de winkels.'

Hij wijst om zich heen. Moderne stalen meubels, jaren dertig-buffetjes, een oude eettafel en een Perzisch tapijt vormen een stemmig en opgeruimd geheel. ,,Kijk, over die stoel hangt altijd dat jasje. Dat is wel gezellig, maar erger moet het niet worden. Het is hier zo en zo blijft het. Maar aan de andere kant vind ik het wel fantastisch als de orde ineens verstoord wordt, als mijn vriendin binnenkomt en van alles om zich heen gooit. Dan biedt de kamer ineens een heel andere aanblik. Of als ik de koelkastdeur open en iets zie dat ik zelf nooit zou kopen, dan voel ik me de koning te rijk.'

Rosenboom wil met zijn romans `vooral vermaak bieden', maar het is een tergend en vaak ijzingwekkend vermaak dat hij de lezer biedt. Zoals in zijn roman Vriend van verdienste de personages elkaar in de tang houden met hun wederzijdse chantage, dreigementen en beloften, zo houdt Rosenboom de lezer in de tang – geen gruwel wordt hem bespaard. Niet alleen mensen, ook dieren worden afgebeuld. Zo is de 16-jarige Theo Altink, de hoofdpersoon uit Vriend van verdienste, wekenlang bezig de kraai Rocco af te richten. Voor het beest uit zijn hand eet, gaat het door een martelend proces van opsluiting en uithongering. In de historische roman Gewassen vlees begint de dierenbeulerij al in de proloog waarin een groepje jongens uit schaatsen gaat. Eén van hen, de manke Petrus, heeft een kat meegenomen. De pootjes zijn in pek gedoopt en daarna zijn er walnootdoppen op geklemd. Zo wordt de kat op de ijsvlakte gezet, om zijn dood op notendoppen tegemoet te glibberen.

Rosenboom kijkt me verbaasd aan als ik deze wreedheden met afschuw ter sprake breng. ,,Een kat op notendoppen op het ijs zetten hoorde in de achttiende eeuw, waarin het boek zich afspeelt, bij de Friese folklore, de ijspret. Ik heb het niet beschreven omdat ik er plezier aan beleef, ik zou nog geen stierengevecht kunnen uitzitten. De gebeurtenis met de kat geeft in het klein weer wat later in het boek in het groot gebeurt. De manke jongen wil bij de andere jongens horen. Door zijn kat op te offeren – en daarmee de liefde die hij van die kat krijgt – hoopt Petrus bij hen in aanzien te komen, hun vriendschap te verwerven, maar hij komt bedrogen uit. Bij de kraai zie je hetzelfde patroon. De kraai, Rocco, is de beste vriend van Theo Altink. Maar Theo wil een hogere vriendschap, met de rijkeluiszoon Otto. Als Otto voorstelt Rocco de nek om te draaien is Theo het daarmee eens, omdat Otto's vriendschap voor hem boven alles gaat.

,,Over de notendoppen om de poezenpootjes las ik in een boek over het Friese volksleven. Daarin beslaat zo'n gebruik dan één alinea, het staat heel kort beschreven, in de trant van: `In Somalië worden vrouwen besneden en de belangrijkste middelen van bestaan zijn...' Ik was op zoek naar iets waarmee ik kon weergeven hoe iemand een vriendschap kan verraden om er een betere vriendschap voor terug te krijgen. Als ik zo'n gebeurtenis als met die kat in details beschrijf, raak ik wel aangeslagen. Maar de ontzetting die je voelt, stompt al gauw af en later, toen ik aan het stileren was, had ik er nauwelijks nog gevoel bij.'

De kraai wordt bij het africhten zo gevoerd dat hij hongerig blijft maar er net niet aangaat. Dat motief keert terug in `Gewassen vlees': de hoofdpersoon hunkert naar liefde, maar hij wordt emotioneel op rantsoen gesteld door zijn aanbedene.

,,Ja. Eigenlijk gebeurt het ook in Publieke werken. De vioolbouwer Vedder, die zijn huis alleen tegen een absurd hoge prijs wil verkopen om het plaats te laten maken voor het Victoriahotel, houdt onderhandelaar Ebert zo aan het lijntje dat die heel lang net niet afhaakt.'

Dat net niet uithongeren, het mondjesmaat voeren van stukjes uitgekookt, krachteloos vlees – meedogenlozer kun je het niet bedenken.

,,Ja, het is bijna zoiets als alcoholvrij bier of nicotine-arme sigaretten, dat kun je iemand niet aandoen.' Rosenboom lacht. Met zijn licht slepende stem, die een beetje aan Gerrit Komrij doet denken, vervolgt hij: ,,Toen ik aan Vriend van verdienste werkte, las ik een boek over de valkerij in de Nederlanden. Daarin stuitte ik op het begrip `gewassen vlees' en toen dacht ik al: als het enigszins kan, wordt dat de titel van mijn volgende boek. Er zit een element van maskerade in. Aan de buitenkant lijkt het op vlees, maar het heeft zolang in water getrokken dat het niet meer de voedzame eigenschappen van vlees heeft. Het zijn twee gewone woorden, `gewassen' en `vlees' en de combinatie lijkt heel vertrouwd, maar het is volkomen ondoorgrondelijk. Ik vind het mooi als een boektitel zo verraderlijk is.'

Schaakpartij

Als ik zeg dat Publieke werken heel anders is dan zijn voorgaande romans, de hoofdpersonen minder weerzin opwekken, veert hij op: ,,Ja, Publieke werken is in veel opzichten minder: de taal is minder exuberant, de personages zijn minder verwrongen, het verhaal speelt zich af aan het eind van de negentiende eeuw, dus in een minder ver verleden dan Gewassen vlees en alles is ook wat gewoner. Maar dat maakte me juist onzeker. Ik streefde naar een sober boek, maar meestal krijg je de handen op elkaar als je er nog een schepje bovenop doet.'

In het boek, dat zich afspeelt in Amsterdam, Hoogeveen en een nabij gelegen turfstekersgehucht, doen de locaties denken aan toneeldecors met vaste stukken. Zo staan op een brug in Hoogeveen altijd drie vrouwtjes te kwebbelen en op het Amsterdamse stationsplein ontbreken nooit de limonadekraam en het borstbeeld van prins Hendrik, de Zeevaarder.

Rosenboom: ,,Ja, het is een onrealistisch decor van een wereld waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Er komt niemand van buiten naar binnen en niemand kan eruit weg. In mijn boeken zal nooit iemand halverwege een nieuwe vriendin krijgen. Het is net als bij het schaken, er zijn mooie overeenkomsten tussen het verloop van een schaakpartij en van een roman: je mag geen nieuwe stukken op het bord zetten of ineens de spelregels veranderen.

,,Verhalen schrijven is voor mij verwant met sport. In mijn boeken staan mensen in een strijdperk waar ze moeten winnen. Het strijdelement van sport vind ik fascinerend. Ik herinner me dat ik als kind aan het voetballen was, je ging er volledig in op, maar als er dan halverwege ineens nieuwe jongens bijkwamen, was de wedstrijd de wedstrijd niet meer. Dan was het voor mij volledig bedorven. Je kunt midden in een boek wel nieuwe personages introduceren, maar eigenlijk kun je het beter laten, want het doet afbreuk aan de afgeslotenheid, het kunstmatige, de beklemming van de wereld die je oproept.'