Is dát chaos?

De roofvogel grijpt de leguaan – omdat hij niet beter weet. Net als die middelgrote hond met zwarte oren die opeens verscheen aan de oever van het Lago Maggiore.

Eerst maar even over wat voor soort avond het was. Het was het soort avond waarop wij vroeger voor het eerst na de winter weer wat langer op straat bleven hangen – op de hoek, in een portiek of op het plukkerige veldje waar nog steeds geen bestemming voor gevonden was. We hadden wat lopen ballen en dollen en nu de schemering begon in te vallen waren we eigenlijk te koud gekleed voor de tijd van het jaar, maar geen haar op ons hoofd die er aan dacht om thuis een trui of jek te gaan halen. Liever stonden we te rillen in onze T-shirts dan dat we de toverkring van het moment doorbraken.

Er werd driftig gerookt en gehoest, geplaagd en gelachen en ernstig en opgewonden over muziek gepraat en elke keer dat er een auto voorbijkwam die zijn lichten nog niet aan had riepen we in koor `hé, lichten!' en direct nog eens `hé, lichten!'. Meestal werd er dan door de bestuurder in dank getoeterd of plotseling extra gas gegeven terwijl tegelijkertijd de rode achterlichten aangloeiden. Maar niet altijd. Soms bleven ze uit, die lichten, waarschijnlijk uit het soort dwarsheid dat wij nu eenmaal graag vertonen wanneer iemand ons ergens op wijst (`weet ik ook wel', `waar bemoei je je mee', `maak ik zelf wel uit') – en dan kon je verderop in de straat, terwijl de auto zelf allang uit zicht was, steeds weer andere stemmen uit het halfduister op horen klinken: `hé, lichten!'.

Zo'n soort avond was het. Alleen zat ik nu binnen op de bank en zette de televisie aan en zag toen dit: een roofvogel met in zijn klauwen een pas uit het water geplukte vis – die zo heftig tegenstribbelde dat zijn ontvoerder alle zeilen bij moest zetten om met zijn prooi in de lucht te blijven. Terwijl hij de veren zo'n beetje uit zijn vleugels klapperde boog de roofvogel zijn kop af en toe zo ver voorover dat zijn ogen op dezelfde hoogte kwamen als die van de vis – als om te zien hoeveel tegenstand deze nog in zich had. Toen hij het kronkelen van de vis eenmaal onder controle had, bewoog de vogel zelf ook nauwelijks meer en was het of hij staand op een zilveren surfplank over het strakblauwe oppervlak van de hemel gleed.

Maar – bleek even later, terwijl buiten de schemering zich verdiepte – vogels kunnen ook ontzettend lullig uit hun ogen kijken. Dan zitten ze op een eiland ergens aan de andere kant van de wereld op een rots te wachten tot de leguaan beneden op het strand klaar is met graven van een holletje voor haar ei – omdat ze weten, die vogels, dat die leguaan straks te moe is om nog hard genoeg weg te kunnen lopen voor de grote flappende schaduw en de klauwen des doods die uit de lucht op haar prehistorische rug neer komen dalen.

Je ziet ze, terwijl ze af en toe wat onrustig gaan verzitten, denken: `nog heel even en je bent toast.' Of nee, je ziet ze juist niet denken, ik bedoel: je ziet ze niet-denken – en dat is precies het intrigerende. Het denkwerk, als daar al sprake van is, is allang verricht, onvoorstelbaar lang geleden, bij het ontwerp van de vogel – zonder dat er overigens ooit een ontwerper aan te pas is gekomen. En toch zit er iets vreemds beschetens, iets betrapts bijna, in de blik van die vogel, alsof hij zich vaag bewust is van het feit dat wat hij op het punt staat te gaan doen nou eenmaal in een plan past waar hij zelf niet de hand in heeft gehad. Hij draait steeds met zijn kop in het rond om beter te kunnen horen waar die commando's (wachten, opstijgen, aanvallen) nou toch steeds vandaan komen. En dat kwaaie dat hij in zijn blik heeft, bedenk ik opeens, is omdat hij er nog steeds ontzettend de pest over in heeft dat hij die stomme snavel nooit eens even af kan zetten.

Lago Maggiore

Wanneer vervolgens aanschouwelijk wordt gemaakt wat voor geniale constructie er gemoeid is met de lichaamsbouw die de kunst van het vliegen mogelijk maakt, zie ik onder mij plotseling het Lago Maggiore opblauwen.

Het is midden jaren zeventig, Elvis heeft nog een jaar te gaan en ik ben in Ascona, Zwitserland, waar al sinds 1919 in een majestueuze villa aan het meer elke zomer de zogenaamde Eranos Tagung plaatsvindt.

Het precieze verhaal erachter ben ik kwijt, maar het komt er op neer dat een jonge oorlogsweduwe destijds haar hele erfenis heeft geïnvesteerd in een stichting ter bevordering van de multidisciplinaire gedachtewisseling over het werk van Carl Gustav Jung, van wie zij een patiënte was. Voornaamste activiteit van de stichting is het jaarlijks organiseren van een tiendaags symposium waarbij een aantal denkers en wetenschappers lezingen geeft rond een door het gedachtegoed van Jung geïnspireerd thema, om daar dan na afloop met het publiek, maar vooral 's avonds tijdens een eenvoudige doch voedzame maaltijd, met elkaar over in debat te gaan.

Het eerste dat mij en mijn eveneens jungiaans bevlogen medestudente, met wie ik op kosten van de universiteit naar Ascona was afgereisd, bij aankomst opviel, was dat de meeste andere deelnemers aan de conferentie waarschijnlijk nog persoonlijk met de pijprokende ziener uit Böllingen op de tennisbaan hadden gestaan. Zuchtend en piepend, kermend en klagend lieten de grijsaards zich aan boord van de taxi's hijsen die tussen de boulevard van Ascona en de vijf kilometer verderop gelegen Eranos-villa heen en weer pendelden. En wee je gebeente als je probeerde in te stappen voordat alle stokken en krukken en de getourmenteerde lijven die zij moesten ondersteunen stevig vastgesnoerd zaten. Dan werd je aangekeken alsof je er in je eentje met de laatste reddingsloep van de Titanic vandoor wou gaan. Tegen de tijd dat we ter bestemming kwamen was de ochtendlezing al voor de helft voorbij en de andere helft was vaak onverstaanbaar wegens het hartstochtelijke gesnurk waarin een deel van de toehoorders direct na binnenkomst verviel.

Niettemin heeft een aantal van die lezingen mijn leven veranderd, althans mijn manier van beleven. Bijvoorbeeld die waarbij Kathleen Raine, een schattig Engels meisje van voor in de zeventig, met zoveel liefde over William Blake sprak dat ik nog steeds ga blozen als ik zijn poëzie lees. Of die waarbij Jean Brun, om te zien een Franse boer in een te klein bruin pak, met het schorre pathos van een chansonnier de westerse en oosterse traditie aan elkaar zong. En zingen, maar dan meer bezwerend, hypnotiserend als een arabische woestijnbard, deed ook Henry Corbin over alles wat met het oog van de verbeelding te maken had. Maar het meest onder de indruk was ik van James Hillman, een tanige joodse Amerikaan, die zowel de darling als het enfant terrible van de Eranos Tagung was, omdat hij jong was en briljant en weliswaar eerbiedig maar volstrekt ondogmatisch omging met de erfenis van Jung. Diens leer onderging bij Hillman zo'n grondige revisie dat ze ten slotte als een speedboat van de ziel over het diepblauwe oppervlak van het Lago Maggiore wegdanste. Bijna alles wat hij zei was nieuw voor mij, maar ik had de neiging om als bij een perfect getimede gitaarsolo na elke te zin `yes!' te roepen, `yes, yes en nog eens yes!'.

Hillmans meest memorabele lezing vond niet plaats in het 's middags door de augustuszon in een oven veranderde zaaltje met de harde houten stoeltjes, maar beneden in het water waarin degenen die nog een beetje redelijk ter been waren na afloop regelmatig een duik namen. Die middag had een strenge Japanner een lang verhaal gehouden over de chaos-theorie, een chaos-theorie in ieder geval, chaos als laatste maat der dingen – dat waarin alles ten slotte uiteenviel, weet ik veel. Hoe dan ook, het woord `chaos' was er zoveel in voorgekomen dat zelfs het behoorlijk ijzige water van het Lago ons niet meer kon reanimeren. Eigenlijk lagen we gewoon duf als eenden maar een beetje te dobberen. Totdat er bovenaan het stenen trapje dat naar het meer voerde plotseling, scherp als een visioen, een hond verscheen, een doodgewone middelgrote hond met wat witte en bruine vlekken en zwarte oren – en Hillman zich in het water oprichtte, naar het dier wees en zei: `Is that chaos?!'

Zo hond, zo vogel en zo verder, gonsde het door mijn hoofd, terwijl ik, nadat ik de televisie had uitgezet, de trap afliep op weg naar buiten. Daar wachtte ik net zo lang tot er een auto langskwam die zijn lichten nog niet aan had en riep toen, zo hard dat mijn oren ervan tuitten: `Hé, lichten!'

(Met dank aan David Attenborough voor zijn televisieserie `The Life Of Birds.')