Heksen en bezemstelen

`Vergeten is niets anders dan een vorm van herinnering', vermoedt een personage in De Gunnar Lennefsen-expeditie, de debuutroman van de Berlijnse dichteres Kathrin Schmidt. Een raadselachtige zin die van betekenis is voor het verdere verloop van het verhaal. Dat ontwikkelt zich als een grote terugblik op het verleden. Het personage dat vergeten en herinnering zo op één lijn lijkt te stellen, is de jonge zwangere Josepha, een arbeidster in de Oostduitse provincie. Terwijl het kind in haar buik groeit, roept Josepha samen met haar overgrootmoeder Therese het avontuurlijke leven van hun voorouders op, een project dat de vrouwen stoer `de Gunnar Lennefsen-expeditie' noemen.

De alledaagse werkelijkheid waaraan zij zich met hun reis naar vroeger onttrekken is die van de stagnerende DDR in het jaar 1976. Een periode waarin ook onder de laatste goedgelovigen het enthousiasme voor het socialistische experiment verdampt, een periode waarin staat en Stasi aanzetten voor een laatste poging om de macht in handen te houden. Deze staatsverkramping houdt nog een tijdje aan, maar de jaren tussen 1976 en de val van de Muur spelen bij Schmidt (1958) geen enkele rol, al herinnert ze er steeds weer met een moddervette knipoog aan dat de grenzen tussen Oost- en West-Duitsland na de Tweede Wereldoorlog `kennelijk definitief' waren vastgesteld. Een opzichtige manier om de vluchtigheid van zogenaamde feitelijkheden aan te geven, en daarom ook zal het verhaal in een decennium zijn gesitueerd dat voor de DDR het begin van het einde in zich borg.

Inconsequent is dan weer het aan de roman toegevoegde epiloogje. Dat speelt ten tijde van de eenwording; de DDR bestaat niet meer en van het verhaal van Josepha en haar overgrootmoeder resteert alleen nog een aantekenboekje. Wie het vindt mag het lezen, mag kennis nemen van een voorbije tijd. Net zo makkelijk echter blijft dat boekje ongelezen, vergeten, potentiële herinnering. Josepha is kort na haar bevalling gevlogen (lees: met een ballon gevlucht), de overgrootmoeder gestorven.

De Gunnar Lennefsen-expeditie, in Duitsland veel geprezen, kent geen gebrek aan durf en ambitie. Een demonstratie van vertelkracht is het, uitgeleefd op de recente Duitse geschiedenis. Want, vindt Kathrin Schmidt, dit zou de praktijk van het geschiedbedrijf moeten zijn: het vertellen van verhalen vanuit een vrouwelijk perspectief. Als variant op het genre van de historische roman biedt Schmidts onderneming literaire compensatie voor de traditionele geschiedwetenschap die volgens de auteur door en door mannelijk is, met door en door mannelijke onderwerpen. Veel oorlog en weinig kookkunst; tragische uitvaarten met nationale rouw in plaats van de geboorte van nieuwe wereldburgers; statistieken in plaats van gevoelens. En Schmidt heeft gelijk: de huidige accentverschuivingen onder historici, hun toenemende aandacht voor de petite histoire, voor het familieleven en zelfs voor de positie van vrouwen door de eeuwen heen weerlegt een praktijk van eeuwen natuurlijk niet zomaar.

Toch hebben Schmidts heldinnen iets heel ouderwets; je zou ze als nakomelingen van de middeleeuwse heks kunnen beschouwen. Hun tovertruc is een filmdoek, imaginair en reëel tegelijk,dat Josepha en haar overgrootmama in privé-voorstellingen beelden uit de familiegeschiedenis toont. Het indringendst, zowel voor de dames als voor de lezers, zijn de beelden van pijnlijke taferelen die al verdrongen of werkelijk vergeten waren. Verder wordt de wereld van Schmidts vrouwen bevolkt door rondvliegende schikgodinnen die het verhaal een zetje geven wanneer dat nodig is, en door mannen met gigantische geslachtsdelen.

Eigenlijk zijn de mannen min of meer tot dat geslachtsdeel gereduceerd. De heren der schepping komen van pas voor de voortplanting, voor de lustbevrediging; buiten hun potentie om zijn het zielige brokkenmakers. De vele seksscènes die De Gunnar Lennefsen-expeditie van een rode draad voorzien zijn geschreven met een verontrustende onbekommerdheid. Ethische problemen spelen nauwelijks een rol, ook niet wanneer bijvoorbeeld een volwassen man zijn vingers warm houdt in de lichaamsopening van een jong meisje. Schmidt slaat de razernij die liefde heet oneindig veel hoger aan dan duffe fatsoensrakkerij en haar personages geven zich met een vanzelfsprekendheid die aan koppigheid grenst over aan hun primaire driften – of het nu crisistijd is, oorlog of vrede; of de scenerie nu Oost-Pruisen is of een Beiers gat; of men nu piepjong is of stokoud. Vrouwen zijn op een krankzinnige manier vruchtbaar, baren aan de lopende band kinderen en spuiten moedermelk uit immer volle borsten de wereld in. Schmidts verhalen doen zich regelmatig voor als grotesk: het kan er niet bizar genoeg aan toe gaan.

In die uitgelaten stijl zit de kwaliteit van het boek – en tevens de zwakte. Het lijkt er namelijk sterk op dat de dichteres Schmidt, in de jaren negentig voor haar poëzie diverse malen met literaire prijzen bekroond, slechts tot hyperliterair taalgebruik in staat is. Aan elke zin is gesleuteld tot hij topzwaar werd van de mededelingen; dubbelzinnigheid is standaard.

De lectuur van deze roman stelt hoge eisen aan het uithoudingsvermogen, doordat de vertelster zo nadrukkelijk alle aandacht naar zichzelf toetrekt. Schmidt geniet tot in het smakeloze van haar eigen formuleringskunst.

Bij een volgende roman wens je haar dan ook een strenge redacteur toe. En een zorgvuldige vertaler. Want Gerda Meijerink, anders nogal oplettend, is als een turbostrijkbout over de oertekst heengegaan.

Het wildbarokke Duits dat irriteert maar ook wel eens enthousiasmeert, is verwaterd tot een bleek Nederlands pastelletje met hier en daar een storende kras.

Kathrin Schmidt: De Gunnar Lennefsen-expeditie. Uit het Duits vertaald door Gerda Meijerink. Bert Bakker, 334 blz. ƒ39,90. De Duitse uitgave verscheen bij Kiepenheuer & Witsch, 429 blz. ƒ58,80 (geb.)

Buitenlandse literatuur